25 juli 2016

Zeg gewoon: ik ben een toerist

Regelmatig fiets ik over de Prinsengracht langs het Anne Frank Huis, op weg naar het Centraal Station of een afspraak in het centrum. Altijd is het weer bijzonder om met aangepaste snelheid tussen de wachtende en ronddrentelende toeristen te rijden. Mensen van over de hele wereld die met elkaar gemeen hebben dat ze een bezoek willen brengen aan deze ene plek. De meesten zijn waarschijnlijk een keer in hun leven Amsterdam en weten precies waarvoor ze komen: Anne Frank Huis, Rijksmuseum, Van Gogh Museum en een rondvaart door de grachten. Geef ze ongelijk. Als je drie of vier vakantieweken per jaar hebt, zoals veel werkenden buiten Nederland, en daarvan een paar dagen in Amsterdam besteedt, zijn dat de dingen die je doet.

Klagen over massatoerisme is momenteel erg in de mode, vooral in Amsterdam. Daar zijn best redenen voor. De drukte in de stad nadert op sommige plaatsen en tijdstippen het punt van onbeheersbaarheid. Er zijn lelijke vormen van commercialisering, zoals smakeloze ijssalons met Nutellapotten in de etalage en nep-historische kaaswinkels. Maar wat ook altijd meespeelt in de kritiek op toerisme is het neerkijken op de toerist. Ik deed daar vroeger ook aan mee. Als ik op reis ging, wilde ik liever geen toerist zijn, uit de buurt blijven van de tourist shitholes en contact maken met de lokale bevolking. Om uiteindelijk natuurlijk toch gewoon het kabeltrammetje naar het Jezusbeeld op Corcovado te nemen. Want ja, je bent in Rio of je bent er niet.

De eerste keer dat ik onbeschroomd aan mezelf toegaf dat massatoerisme soms best leuk is, moet zijn geweest bij slot Neuschwanstein, de uitzinnige creatie van de Beierse Koning Ludwig II die model stond voor de kastelen in Disneysprookjes en vooral onder niet-Europeanen als symbool geldt van Europese romantiek. De hele wereld verzamelt zich aan de voet van de heuvel, netjes in de rij voor een kaartje en een verplichte rondleiding met keuze uit tien verschillende talen. Tijdens de wandeling naar het slot loop je samen omhoog met Arabieren, Thai, Amerikanen en Japanse meisjes in Dirndl-jurkjes. Het mensen-kijken vormt minstens zo'n grote attractie als het kasteel zelf.

Neuschwanstein: toeristen wachten tot hun rondleiding begint

Nog steeds probeer ik in een vreemde stad ook de rauwere, minder bekende plekken op te zoeken of de tram naar een buitenwijk te nemen om te kijken hoe het er daar uitziet. Maar de pretentie dat ik geen toerist ben, heb ik niet meer. Want of je nu een selfie maakt voor de Eiffeltoren, of heel cultureel verantwoord de Zaspa-muurschilderingen in Gdansk bezoekt: je bent een toerist en het is onzin om dat te ontkennen. Die interessante rauwe randjes worden binnen de kortste keren opgepikt door reisgidsen en websites, waarna ze net zo mainstream worden als andere attracties. Zoals de kerts in Boedapest; semi-legale kroegen in leegstaande panden die inmiddels massaal zijn ontdekt door buitenlandse bezoekers. Of een rondleiding door de favelas in Rio: ook opgenomen in het standaardpakket, samen met het Jezusbeeld, het Suikerbrood en een samba-avond.

Toch blijft de honger naar 'authentieke' reiservaringen onstilbaar. Verhuurdersplatforms als Airbnb spelen er op in door klanten een ervaring van living like a local te beloven. Alsof je zelf een echte Barcelonees wordt door voor honderd euro per nacht vier dagen te slapen in het huis van een Barcelonees, een host die je na afloop een rating geeft op een website. Op welke manier is dat contact authentieker of 'echter' dan een goed advies van een hotelreceptionist of een leuk gesprek met andere hotelgasten? Een ander verkoopargument van Airbnb is dat de verhuurde woningen buiten het traditionele toeristengebied liggen waardoor een groter deel van de stad zou meeprofiteren van het toerisme. De ironie is dat toeristisch verhuur in steden als San Francisco, Lissabon en Parijs zo explosief toeneemt dat de populaire buurten steeds toeristischer en dus steeds minder authentiek worden, een trend die onder meer in dit artikel in de Harvard Business Review wordt beschreven. Omgekeerd bewijst een stad als Amsterdam dat normale hotelaccomodatie prima over de stad kan worden verspreid. Dankzij het ombouwen van lege kantoren tot hotels is er nauwelijks nog een Amsterdamse buurt te vinden die niet meedeelt in de groei van het verblijfstoerisme. 

Er is helemaal niks mis met massatoerisme. In echte hotels. Met mensen die hebben besloten dat ze in hun schaarse vrije tijd beroemde plaatsen, gebouwen en kunstwerken willen zien en zich daarbij niets aantrekken van het feit dat massa's andere mensen hetzelfde willen. Toeristen die geen enkele pretentie hebben dat ze iets anders zijn dan een toerist.



Geen opmerkingen: