26 september 2018

Estse angst


Het is natuurlijk een misverstand dat je een land kunt leren kennen door een paar dagen in de hoofdstad door te brengen. Alleen al het feit dat je druk op zoek gaat naar ‘leuke dingen om te doen’, maakt dat je blik wordt vertroebeld. Zelfs als je uit nieuwsgierigheid een rit met de metro of tram naar de laatse halte in een buitenwijk maakt, iets wat ik altijd probeer te doen, vang je nog niet meer op dan een glimp.

Het bovenstaande is bedoeld als disclaimer, want ik was vorige maand een paar dagen in Tallinn en ga nu iets over Estland zeggen. Het eerste wat me opviel, is dat Esten zo tevreden lijken met het feit dat ze Est zijn. Overal waar je kijkt zie je de nationale driekleur, als vlag of geprojecteerd als lichtshow op gebouwen. Het Ests Historisch Museum, gevestigd in de gildehal in de knusse middeleeuwse binnenstad, is doortrokken van vrijheidsdrang. Het tijdperk waarin Estland deel uitmaakte van de Sovjet-Unie, dat volgde op de eerste onafhankelijkheidsperiode 1917 -1940, wordt er in niet mis te verstane woorden samengevat:

 …the Soviet army occupied Estonia in 1940. The will to be independent persisted, but Moscow’s rule continued for the next 50 years. Estonia’s yearning for freedom surfaced again in the late 1980s, culminating in the “Singing Revolution” and the restoration of independance in 1991. Estonians have one of the smallest nation states in the world, and having struggled for their own country, they hold it dear.

Vladimir Poetin mag denken dat het uiteenvallen van de Sovjet-Unie ‘het grootste drama van de twintigste eeuw is’, in Tallinn denken ze daar dus duidelijk anders over. Tussen de klederdrachten en de landbouwattributen in het museum staan beeldschermen waarop de bezoeker quizvragen kan beantwoorden over Estland en de Estse volksaard. Het is een vriendelijk soort nationalisme, ironie met een ondertoon van trots.

Nu heeft Estland ook iets om trots op te zijn. De binnenstad van Tallinn is een plaatje, met de Toompea-heuvel als uitstulping voor de belangrijkste overheidsgebouwen, daaromheen ambassades van landen die er na de onafhankelijkheid snel bij waren om de monumentale panden te betrekken. Het zou zomaar de mooist gelegen parlementswijk ter wereld kunnen zijn. Als voetganger heb je de binnenstad voor jezelf. Ondanks het massale toerisme zijn er nog verrassend veel rustige plekken. Er zijn daarentegen ook momenten waarop je het gevoel krijgt in een themapark rond te lopen; denk aan kelners in middeleeuwse kledij die bier in stenen karaffen rondbrengen.

Rond het centrum zie je een ambitieuze stad die duidelijk haast heeft om te stijgen op de ranglijst van kosmopolitische en leefbare steden. Aan het waterfront aan de haven staan gloednieuwe, smaakvolle appartementen. In de wijken die tegen het centrum aanliggen zijn oude fabrieken verbouwd tot cultuur-, koop- of uitgaanscentrum. De ruwere versie daarvan in de wijk Kalamaja ten noordwesten van de binnenstad, waar ook de markthal en de belangrijkste moderne musea van de stad liggen, de meer gepolijste versie in het Rotermann Quarter aan de oostkant. Hipsterwijken, heet het dan al snel in de buzz over een bestemming in opkomst. Ik vond dat nogal meevallen. Tallinn is gewoon een stad die zijn industrieel erfgoed slim benut, waar ze begrijpen dat bakstenen fabriekspijpen inmiddels net zo aantrekkelijk authentiek worden gevonden als gothische kerktorens. Als het al hip is, dan is het een nette en toeristvriendelijke versie daarvan.


Ruime keuze op de tap in Kalamaja

Linnahall

Wat nog minder goed lukt is fietsen, toch ook een onmisbaar ingrediënt van de hedendaagse leefbare stad. Ze willen duidelijk wel, met overal fietswinkels en hier en daar een fietsstrook. Maar Tallinn kent weinig fysieke barrières, waardoor de stad verspreid ligt over een groot gebied en de auto er voorlopig koning is. De stad heeft hier en daar ook een wat steriel en commerciëel gezicht. Zo ligt aan het westelijke uiteinde, kilometers buiten het centrum, een reusachtige shopping mall met de weinig Ests klinkende naam Rocca al Mare, omgeven door een parkeervlakte en luxe-appartementen aan het water. 

Monumenten uit de Sovjettijd zijn er nog genoeg, maar ze spelen een bijrol. Het beste voorbeeld is de Linnahall aan de haven, gebouwd in 1980 voor de zeilonderdelen van de Olympische Spelen. De half verruïneerde staat van het betonnen bouwwerk lijkt bijna een provocatie, een opzettelijk contrast met de glimmende nieuwbouw van na de onafhankelijkheid.

Aan het andere uiteinde van de stad staat nog zo’n Sovjetsymbool: de TV-toren, ook uit 1980. In de hectische dagen van augustus 1991 was die het toneel van een couppoging, toen de situatie in Moskou even onduidelijk was en enkele nog aanwezige Sovjet-militairen in Estland de toren binnenvielen. Vier Estse technici sloten zichzelf op in de controlekamer, waardoor de uitzendingen in het net onafhankelijke Estland konden doorgaan. Bij de ingang staat een monument om de daad van verzet te memoreren en bezoekers uitleg te geven.

Op het uitkijkplatform halverwege de toren moest ik even zoeken naar de rode daken van de binnenstad; de rijen flats in het oosten en zuiden van de stad uit de Sovjetperiode zijn gemakkelijker te vinden. Daartussenin liggen, losjes verspreid in het vele groen, de houten huizen van voor 1940 en de nieuwbouw van na 1991. Aan de overkant van het water was heel vaag een streep Finse kust te zien, tachtig kilometer verderop. Opeens besefte ik hoe klein het land is: met één hoofdbeweging uitzicht over ruim een op de drie Esten. Naast Tallinn zijn er nog drie wat grotere steden, die samen nog niet half zo veel inwoners hebben als de hoofdstad. De taal telt amper een miljoen sprekers, met alleen het Fins en heel ver weg het Hongaars als familie. Als deel van de Europese Unie, de Eurozone en de NAVO lijkt de economische en strategische veiligheid van Estland gegarandeerd. Maar dat wil nog niet zeggen dat het land wordt gezien. Hoeveel mede-Europeanen kunnen de naam van een Estse film, voetbalclub of de premier noemen? Hoeveel mensen zouden weten dat Skype een Estse uitvinding is? In de internationale media en politiek figureert het land vooral als een bufferzone, het speelveld van een mogelijke nieuwe koude of misschien zelfs warme oorlog, een geopolitiek pionnetje dat vaak niet eens een eigen naam wordt gegund en onder de noemer ‘de Baltische Staten’ wordt geveegd.

Of de Esten echt bang zijn voor een herhaling van de geschiedenis, betwijfel ik. Het lijkt me eerder dat die getoonde vrijheidsdrang en nationale trots voortkomen uit een gevoel van kwetsbaarheid, een angst om te verdwijnen in een te grote buitenwereld. Het bestaansrecht van zo'n klein land, met een eigen taal en cultuur, moet steeds weer opnieuw worden bevestigd. Dan kan een verleden om je tegen af te zetten een geschenk zijn.


Rocca al Mare