9 maart 2022

Ooit waren hier Nederlanders


Narinõ, 1964-1966

Mijn vader (Drenthe) en moeder (Utrecht) hebben elkaar gevonden in Colombia. Tussen 1964 en 1966 maakten ze twee jaar lang deel uit van een groep van vijftien Nederlandse vrijwilligers in het stadje Tuquerres, hoog in de Andes in het zuidelijke departement Nariño. Samen met lokale organisaties probeerden de jonge Nederlanders - avontuurlijk ingestelde twintigers - het leven van het armste deel van de bevolking in het gebied te verbeteren. Met kraamhulp en andere medische zorg, voorlichting over gezondheid, landbouwkundig advies en het bouwen van scholen. Alles gebeurde onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Na een aantal mislukte pogingen in andere landen was het de eerste keer dat de Nederlandse overheid zo'n omvangrijke missie organiseerde.

Het ging bij ons thuis aan de eettafel dus vaak over Colombia. Mijn zusje en ik konden de verhalen na een tijdje dromen. Over de cavia's die vrij rondscharrelden in de huizen en op een weinig diervriendelijke manier werden gedood als de bewoners het tijd vonden voor een stukje vlees. Over een rok die zo stijf stond van het vuil dat hij na het uittrekken rechtop op de grond bleef staan. Over het paard van mijn moeder dat naast een gapende afgrond op hol sloeg. Over hoe het proefveldje met aardappelen van mijn vader - zelf zoon van een aardappelteler - werd kaalgevreten door schapen. Over hoe de stamppot werd geïntroduceerd: aardappelen en kool werden wel gegeten in het gebied, maar de Hollandse gewoonte om ze door elkaar te prakken was nog niet bekend. Over hoe mijn ouders samen de dorpjes bezochten - mijn moeder om kinderen te vaccineren tegen kinderziekten, mijn vader om kippen oogdruppels te geven tegen de 'snotziekte' - en hoe ze in elk huis een gepocheerd ei kregen aangeboden dat ze niet konden weigeren. Over hoe mijn moeder mensen vertelde dat ze niet alleen aardappelen en mais moesten eten, maar ook fruit.

Meestal was het mijn vader die de verhalen begon. Bij hem zat de Colombia-nostalgie duidelijk dieper dan bij mijn moeder. Het was mijn vader die soms spontaan in een Spaanstalig liedje uitbarstte, of een elpee met Colombiaanse muziek uit een kartonnen hoes haalde en op de platenspeler legde. Hij was het ook die tot verbazing van dorpsgenoten een houten bord met Tuquerres aan de gevel van ons huis in West-Knollendam hing. 

Kritische geluiden waren er soms ook. Waar die zich bij mijn vader richtten op 'de doctorandussen in Den Haag die geen idee hadden waar we mee bezig waren', liet mijn moeder wel eens doorschemeren dat het er ook in de vrijwilligersgroep zelf niet altijd harmonieus aan toeging. Zo waren er twee jeeps beschikbaar voor het uitgestrekte werkgebied. De ene was voor de projectleider en werd slechts bij hoge uitzondering uitgeleend, om de andere werd door 'de jongens' gevochten. 

De laatste jaren was mijn vader steeds zichtbaarder bezig met zijn Colombiaanse periode. Toen bij de verhuizing naar Zaandam de dozen vol met foto's en documenten weer eens tevoorschijn kwamen, besloot hij een boek te schrijven: Vrijwilliger in Colombia. Op Facebook maakte hij vrienden met inwoners van Tuquerres en omgeving. Daaronder ook de gepensioneerde leraar Jesús Ruano Angán, die zich die zich de Nederlandse vrijwilligers uit zijn kindertijd nog kon herinneren.


Nariño, 1964 - 1966


Het kwam niet als een hele grote verrassing toen mijn vader me eind vorig jaar vroeg om samen met hem terug te gaan naar Colombia. Ik kon gemakkelijk redenen bedenken waarom het niet zo'n goed idee was: hij begin tachtig, ons beider Spaans verre van perfect, Nariño een gebied waar nauwelijks toeristen komen, Colombia niet de meest voor de hand liggende reisbestemming, zelfs al is het land in de afgelopen jaren een stuk veiliger geworden. Maar ik kon ook geen nee zeggen. 

Begin februari kwamen we aan in Tuquerres, mijn vader voor de tweede keer, ik voor het eerst. Het beste hotel van de stad bleek te beschikken over een minuscuul straaltje warm water, dat meteen verdween als je de doucheknop iets te ver opendraaide. De spiegel in de badkamer hing op borsthoogte. Het stadje was druk en rumoerig, met overal brommers en auto's in smalle, versteende straten. Over de hobbelige stoepen, die op sommige plekken een halve meter boven de straat hingen, schoven voetgangers geroutineerd langs elkaar heen, waarbij ze ook nog de vele straatverkopers moesten ontwijken. De geuren waren die van zoetig brood, verbrand houtskool en gegrild vlees, de geluiden die van opzwepende salsamuziek en commerciële boodschappen uit de megafoons op reclame-auto's. 

Af en toe dacht ik iets te zien van hoe het moest zijn geweest in de jaren 1964-1966. Een paard en wagen die zich als laatste der Mohikanen tussen het autoverkeer begaf. Een groenteverkoper op de markt, een dikke wollen ruana om de schouders, ogen in een getaand gezicht die me nieuwsgierig bekeken vanonder een grote hoed. Op zulke momenten kwamen de foto's die ik van mijn ouders kende even tot leven. Maar ze duurden nooit lang, met naast me een vader die om de twintig meter verzuchtte dat alles helemaal was veranderd en dat hij weinig tot niets meer herkende.

In de avond werden we gastvrij onthaald door Jesús Ruano, zijn vrouw Miriam, zoon Luis Enrique en dochter Miriam Lucía. De klompen en delftsblauwe cadeautjes werden belangstellend uitgepakt. Aan de eettafel in de keuken zaten we aan de cena, een versie van Het Laatste Avondmaal aan de wand. Ons moeizame Spaans leek wonderwel te worden verstaan door de familie. We begrepen niet altijd meteen wat er tegen ons werd gezegd, maar uiteindelijk kwamen we er toch steeds uit. Er werden plannen gemaakt. Jesús zou ons de komende twee dagen met alle liefde door het voormalige werkgebied van de vrijwilligers rondrijden.

Over één ding bleef ik me een beetje zorgen maken. Zou er nog iets over zijn, na meer dan een halve eeuw, dat herinnerde aan die twee Nederlandse jaren? En als het er was, zouden we het vinden in de beperkte tijd die we hadden?

De volgende ochtend begonnen we aan de rand van Tuquerres. Daar was vroeger het 'meisjeshuis', waarin enkele vrouwen uit de vrijwilligersgroep woonden, onder wie mijn moeder. Het stond er nog steeds. Mijn vader sprak twee oudere vrouwen op straat aan. Nee, Nederlandse voluntarios in Tuquerres, in de jaren zestig, dat zei hen niets. Kenden ze dan misschien Maruja, vroeg mijn vader. Die woonde hier in deze straat, was van dezelfde leeftijd als de vrijwilligers en goed bevriend met de Nederlandse vrouwen. Maruja? Jazeker, ze kenden een Maruja hier in de straat. Ze woonde er al zo lang als ze zich konden herinneren. 

We belden aan bij de deur die ons was aangewezen, maar helaas tevergeefs. Er was niemand thuis.

De rest van de dag reden we door de veredas rond Tuquerres. Ik herkende hun namen uit het boek van mijn vader: San Roque, Guachucal, Quatro Esquinas, Sapuyes. Uitgestorven dorpjes langs onverharde wegen, de huizen soms afgebladderd vuilwit, dan weer geschilderd in de zuurstokkleuren waar ze in Colombia dol op zijn. Overal liepen of sliepen honden, pas met grote tegenzin plaatsmakend voor onze auto. In een van de dorpjes stond een rijtje grillrestaurants naast elkaar, grote borden van lachende cavia's erbij, zoals bij ons varkens en koeien hun eigen vlees aanprijzen bij de kiloknaller. En ook hier moest mijn vader vaak zeggen dat alles er zo anders uitzag dan hij zich kon herinneren, dat daar ooit dit was en daar ooit dat, maar nu niet meer.

Aan het eind van de middag kwamen we in de vereda Alban. We stapten uit op het hoogste punt. Naast de kerk stond een schoolgebouw dat met hulp van de Nederlandse vrijwilligers was gebouwd. Achter de muur rond het schoolplein hoorden we het geluid van spelende kinderen. Terwijl we foto's namen, kwam er een vrouw uit een tegenoverliggend huis om ons te bekijken. Geïnteresseerd hoorde ze het verhaal aan. Maar un grupo de voluntarios Holandeses, hier in Alban, het zei haar niets. 

Had ze Vicente Portilla dan misschien gekend, vroeg mijn vader. Dat was een bewoner van Alban met wie hij goed bevriend was. Maar natuurlijk had ze die gekend, zei ze. Hij was haar oom, ze heette Lina Portilla. Een paar huizen verderop woonde een oudere nicht van haar, Lourdes, die misschien meer wist.  

Ze nam ons mee naar een sober huisje verderop, laag en met kleine raampjes. Een vrouw deed open en Lina Portilla vertelde wie we waren. Na twee zinnen werd ze onderbroken. No me dice que son los Holandeses! Zeg me niet dat het de Nederlanders zijn! Wie is dit precies? Harm? O, Haro! Ja, die naam herinnerde ze zich nog. En hij is getrouwd met señorita Cox? Nee, ook die naam was ze niet vergeten.

We mochten binnenkomen. Ik moest me bukken in de deuropening. In een ruimte die was ingericht als een soort kapelletje kregen we koffie en brood. Er werden foto's gemaakt. Lourdes Portilla praatte honderduit, steeds één tand bloot lachend. Het meeste van wat ze zei verstond ik niet, maar een woord keerde steeds terug: milagro. Het was een wonder. Ooit waren hier Nederlanders, nu waren ze terug.

                                                            

Nariño, 1964 - 1966

De volgende dag bezochten we samen met Jesús en Miriam de Las Lajas kathedraal, een uur rijden van Tuquerres, gebouwd in een rivierkloof vlakbij de grens met Ecuador. In het museum onderin de kathedraal werd pre-Columbiaanse voorwerpen getoond. Ik zag er hetzelfde soort aardewerk potjes die mijn vader in 1966 had meegenomen naar Nederland en bij ons in de huiskamer stonden. Ik schrok ervan hoe oud ze waren, ergens tussen 700AD en 1200AD.

We reden terug door de sabana, de vruchtbare vlakte tussen de bergen waar de rijkere boeren hun fincas hebben. Ook die was onherkenbaar veranderd, vertelde mijn vader. De weg waarover we reden was in de tijd van de vrijwilligers onverhard en lag in het open veld, nu was het een met bomen omzoomde tweebaans asfaltweg. Het liep al tegen de avond. Het plan was om terug te keren naar het huis van de familie Ruano.

Ik zou nog een keer langs willen gaan bij Maruja, zei mijn vader in het Nederlands vanaf de voorstoel. Maar ik durf het bijna niet te vragen. Ze doen al zoveel voor ons.

Vraag het nou maar, zei ik.

En dus stopten we even later voor de tweede keer aan de rand van Tuquerres bij het voormalige meisjeshuis. Verderop stond nog een auto. Er zaten mensen in, de motor draaide. Onder toezien van Jesús, Miriam en mijzelf liep mijn vader ernaartoe.

Vanuit het openstaande autoraam klonk een kreet die genoeg zei. Het was Maruja. Als we een minuut later waren gekomen, hadden we haar opnieuw gemist. Ze stapte uit, omhelsde mijn vader en vertelde de bestuurder van de auto dat die zonder haar mocht vertrekken.

Maruja Rojas was een levendige, stijlvol geklede vrouw. Ze woonde in een lieflijk ingericht huis, met in het midden een overdekte patio waarin de grootste sanseveria stond die ik ooit heb gezien. En net als Lourdes Portilla leek ook zij zich los Holandeses nog te herinneren alsof het gisteren was. Moeiteloos dreunde ze namen van vrijwilligers op: Annet, Piet, Netty, Gijs. En nu, zomaar op een doordeweekse dag, vijfenvijftig jaar later, stond er één bij haar op de stoep, samen met zijn zoon. Ze kon het haast niet geloven. We mochten niet meteen weer vertrekken. Er moest een cafecito worden genomen in de stad.

Met zijn vijven zaten we in het restaurant. Daar drong pas goed tot me door wat die twee jaren van Nederlandse aanwezigheid in Tuquerres voor Maruja hadden betekend. Ze was er altijd aan blijven denken, zei ze met tranen in haar ogen. Altijd gefascineerd gebleven door alles wat Nederlands was. Het koningshuis, voetbal. Alles. Ze was verdrietig geweest toen de groep vrijwilligers vertrok, un poco traumatizada zelfs, en ook omdat het bij die ene groep was gebleven. Ze had rondgevraagd of er een vervolg kon komen, maar zonder resultaat.

Ik zag dat het ook mijn vader emotioneerde. Wat stilletjes zat hij aan tafel, luisterend naar Maruja Rojas. 

Vraag haar nog eens wat ze zich precies herinnert van mam, zei ik tegen hem.

Toen de vraag werd gesteld, moest Maruja even nadenken. Senõrita Cox was, hoe zou ze het zeggen, un poco seria, un poco solitaria

Hier kan ik niet mee thuiskomen, was mijn eerste gedachte. 'Serieus' misschien nog wel, maar 'op zichzelf' is zo ongeveer het laatste wat ik over mijn moeder zou zeggen. Maruja bleek echter te bedoelen, als ik het goed begreep, dat mijn moeder zich naar verhouding weinig met de vrijwilligersgroep bezig had gehouden en meer met de lokale bevolking. Altijd vriendelijk, buenas dias, buenas tardes en buenas noches tegen iedereen die ze tegenkwam. Het maakte haar muy querida. Mensen vonden het bijzonder, zoals ze ook altijd goede raad had voor iedereen, bijvoorbeeld dat ze aan de campesinos uitlegde hoe belangrijk het was dat zij en hun kinderen ook fruit aten.

Meer fruit eten. Dat verhaal kende ik uit de Zaanse huiskamer. Opeens verscheen het beeld voor mijn ogen, duidelijker dan het ooit eerder was geweest. Mijn moeder die te paard van dorp naar dorp trekt, over onverharde wegen, onderweg iedereen groetend, ver van huis, twee jaar lang, drieduizend meter hoog in de Andes, om het leven te verlichten van mensen die weinig hadden en nergens op rekenden.  

19 mei 2021

Geodicht





Er was een strak ontworpen koninkrijk
Van polder, groeikern en vinexwijk

Het verruilde haar ruimtenota
Voor vage afspraken en zachte quota

Dat heeft niet gebracht
Wat ervan werd verwacht

Wonen raakte gillend duur
De noodklok luidt voor de natuur

Reuzenmolens in het veld, blokkendozen langs de weg
Ben je er krimpgebied dan heb je pech

Ach, geef dat land een vrouw of man
Met een visie en een plan



Tweede Nota Ruimtelijke Ordening, 1966

23 september 2020

Amerika in romans (3)

 

 

Philip Roth - The plot against America (2004)

Roth beschrijft hoe het zou zijn gegaan als in 1940 niet F. D. Roosevelt zou zijn herkozen, maar de antisemitische en nazi-vriendelijke Charles Lindbergh president was geworden. Na de verkiezing van Trump werden er regelmatig parallellen getrokken tussen de roman en het huidige Amerika. Lodewijk Asscher deed dat bijvoorbeeld in De Wereld Draait Door. Dat riep ook weer tegenreacties op. Want je kon veel zeggen over Trump, maar hij was toch geen fascist?

Tsja. Er zijn vast hokjes op de fascisme-checklist die bij The Don niet aangekruist hoeven te worden. Evenzo is Charles Lindbergh, de eerste piloot die een transatlantische vlucht maakte, geen vuilbekkende ophitser, maar eerder een gladjakker die zijn nazi-sympathieën in redelijk klinkende taal verpakt. En een antisemiet dus. In de roman worden Joodse jongeren uit de steden naar gastgezinnen op het christelijk-conservatieve platteland gestuurd, met als doel om ze te herprogrammeren. Uiteindelijk worden zelfs hele gezinnen verspreid. Dat lijkt meer op goed georganiseerd fascisme dan op het chaotische governing by twitter van Trump.

Toch vind je overeenkomsten tussen het Amerika in de roman en dat van Trump. Zo is er het isolationisme, waarbij de regering-Lindbergh zich afzijdig houdt van de Tweede Wereldoorlog, die een ‘Joodse oorlog’ zou zijn. Ook in de roman worden oude Europese bondgenoten (de Britten) opzijgeschoven voor een schimmig verbond met een autoritair regime (Nazi-Duitsland), waarmee het zoveel makkelijker zaken doen is. En wordt daar over gelogen: Lindbergh houdt vol dat de frequente bezoeken aan zijn nazivrienden in Duitsland in de jaren voor zijn verkiezing tot president in dienst van de Amerikaanse overheid waren.

Er is ook de sluipende normalisering van racisme, met dank aan de welwillende medewerking van opportunisten en nuttige idioten. Zo krijgt Lindbergh steun van een invloedrijke rabbijn. Die maakt  hem ‘kosher’, zoals een personage opmerkt, ‘niet voor de Joden, maar voor de goyim’. Er is de steeds grimmiger en gewelddadiger radicalisering van degenen die zich als eersteklas-Amerikanen beschouwen en vinden dat andere bevolkingsgroepen zich koest moeten houden. Er zijn de complottheorieën: een journalist, de meest uitgesproken criticus van Lindbergh, wordt ‘betaald door de Britse regering’.

De polarisatie verscheurt ook het gezin Roth in New Jersey, waarvan de jongste zoon Philip de verteller is. Zijn oudere broer is een van de tieners die mag meedoen in het overheidsprogramma van Lindbergh. Een tante trouwt met de Lindbergh-gezinde rabbijn. Een neef vecht in de oorlog voor het Brits gezinde Canada en keert gewond en getraumatiseerd terug naar de VS. Uiteindelijk verliezen ook in The plot against America de nazis de oorlog. Maar de schade van het fascistische experiment is dan al aangericht.

 

Jeffrey Eugenides - Middlesex (2002)

Zelfs binnen het genre great American novel, waarin niet wordt gekeken op een verhaallijn meer of minder, is Middlesex een wijdvertakte roman. Het zijn bijna drie romans ineen. Eén over de migratie van Grieken naar Amerika. Een tweede over de Amerikaanse droom, beschreven aan de hand van de bloeitijd en de neergang van autostad Detroit. En een derde over die andere, universele droom: het recht om te mogen zijn wie je bent. De hoofdpersoon Calliope (later Cal) Stephanides is geboren als meisje maar krijgt in de puberteit mannelijke geslachtskenmerken.

De grootste kracht van de roman is hoe je als lezer wordt meegenomen door de hoofdpersoon, geboren in een traditionele Griekse migrantenfamilie met vaste rituelen en rolpatronen. Hoe ze langzaam begint te begrijpen waarin ze verschilt van andere meisjes. Hoe ze zich heel lang blijft aanpassen; als ze maar niet ongesteld wil worden, doet ze met veel theater alsof. Haar geslachtsdeel noemt ze in gedachten ‘de crocus’. Het meisje uit haar klas op wie ze verliefd wordt, krijgt geen naam en heet alleen The Object, een mooie omdraaiing van wie de vreemdeling is en wie niet.

Calliope wordt pas geboren als het verhaal al een eind op weg is, nadat ze de migratiegeschiedenis heeft verteld van haar Griekse grootouders, die in 1922 ternauwernood een brandend Smyrna (nu Izmir in Turkije) ontvluchten. Dat perspectief van een hoofdpersoon die terugkijkt op wat er is gebeurd, is ook nodig om de lezer inzicht te geven in het dubieuze handelen van dokter Peter Luce, de New Yorkse arts die Calliope onderzoekt als haar ouders eindelijk hebben ontdekt dat er ‘iets’ met haar is. De beroemde arts ziet snel genoeg dat 'Callie' genetisch een man is. Maar hij wil graag zijn theorie bevestigd zien dat gender-identiteit los staat van genetisch geslacht. Dus moet onderzocht worden wat ze ‘eigenlijk’ is. Het is een grote vergissing. Luce onderschat hoe bekwaam de veertienjarige de rol speelt die van haar wordt verwacht, zowel door haar familie als op haar keurige middenklasse-school: dat ze een echt meisje is, dat zich meisjesachtig gedraagt. Als het oordeel komt – Callie heeft een ‘vrouwelijke identiteit’ en moet worden geopereerd en met vrouwelijke hormonen worden behandeld – begrijpt Cal dat ze, of eigenlijk dus hij, voor zichzelf moet kiezen. Hij slaat op de vlucht en komt uiteindelijk terecht in San Francisco.

Het grootste deel van het verhaal speelt zich af in Detroit. De stad waar Ford in 1913 de lopende band invoerde en waar honderdduizenden arbeidsmigranten naartoe trokken voor een beter leven. Uit Europa, zoals de Grieken in de roman, maar ook zwarte Amerikanen uit het Zuiden van de VS. Detroit is nu een van de meeste gesegregeerde Amerikaanse steden. Middlesex laat zien hoe die scheiding begon. Aan het begin van de roman is Detroit een gemengde stad met bloeiende migrantenwijken, waarin arbeiders met de tram naar de fabriek gaan. Tramlijnen die later werden weggeconcurreerd door de aanleg van snelwegen naar de nieuwe voorsteden; de auto maakte Detroit eerst groot en daarna weer klein. Het begin van de rellen eind jaren zestig, die de leegloop verder aanwakkerden, wordt beschreven. Ook de Griekse familie verruilt Detroit voor een rustige voorstad. Niet zonder moeite overigens, want niet alleen de verhuizing van zwarte bewoners maar ook die van immigrantengroepen met een lagere status, zoals de Grieken, wordt tegengewerkt door makelaars.

Als man keert Cal aan het einde nog een keer terug in het kapotte Detroit van eind jaren zeventig. In de Griekse wijk, of wat daar nog van over is, zitten oude mannen aan tafeltjes langs de straat. In het centrum, tussen wolkenkrabbers met afgeplakte ramen, is het Renaissance Center in aanbouw, ’symbool van een wedergeboorte die er nooit was’.

 

Joseph O’Neill  -  Netherland (2008)

In een afgelegen kanaal wordt het lichaam van Khamraj ‘Chuck’ Ramkissoon gevonden. Een immigrant uit Trinidad die zijn Indiase voornaam heeft veramerikaanst. Het ligt er al twee jaar. Mensen die hem hebben gekend, worden ondervraagd. Een ervan is de Nederlandse expat Hans van den Broek. Wat weet hij van de man? Dat komen  we in het vervolg van de roman te weten. Of eigenlijk ook niet, want de vriendschap tussen de mannen is van het soort waarin veel wordt gezegd en tegelijk veel verzwegen.

Cricket is wat hen bindt. Chuck is scheidsrechter bij een wedstrijd van het gelegenheidsteam waarin Hans speelt. Het mag dan een wereldsport zijn, in New York is cricket een bezigheid van buitenstaanders. De spelers mogen pas gebruik maken van het veldje in Staten Island als de honkballers klaar zijn. Het gezelschap Caribische eilanders, Indiërs en Pakistanen ontleent tegelijk trots aan de sport, die zoveel verfijnder is en meer skills vereist dan honkbal. Voor Chuck is het een historische vergissing dat Amerika de sport nooit heeft omarmd. ‘Wil je een taste van hoe het is om hier zwart te zijn’, zegt hij tegen Hans, de enige blanke in het gezelschap, ‘trek een wit crickettenue aan.’

Hans woont alleen in de stad. Zijn vrouw Rachel, advocaat, is na 9/11 met hun zoon vertrokken naar Londen. Hij is achtergebleven in New York en werkt als analist bij een grote bank. ’s Avonds surft hij op Google Earth naar het Londense huis waarin zijn vrouw en zoon wonen, inzoomend op het opblaaszwembad in de tuin. Voor Rachel is de Irak-oorlog de definitieve reden om niet meer terug te willen. Hans moet een toekomst kiezen, maar verkeert met zijn gedachten juist vaak in het verleden. Bij zijn jeugd in Den Haag, die beschermd was maar ook vaderloos omdat zijn vader al op jonge leeftijd bij een auto-ongeluk om het leven kwam. Zijn zorgzame moeder bracht net zo vaak met hem de NRC rond tot hij zelf de route uit zijn hoofd kende, en nam de krantenwijk op zaterdag van hem over omdat hij die dag zijn cricketwedstrijd had. Zo vervult Nederland in Netherland de rol van een veilig en voorspelbaar paradijs, als contrast met het rauwe en in een post-9/11 neurose verkerende New York.

De stad wordt opmerkelijk vaak als een wildernis omschreven. Overal zijn zwermen vogels. De hitte en de zomerregens doen in Brooklyn het onkruid opschieten, de kelders onderlopen en jagen zwermen met virussen gewapende muggen door de straten

De roman heeft iets raadselachtigs en ongrijpbaars, meanderend tussen actuele gebeurtenissen en herinneringen aan lang en kort geleden. De charismatische, breedsprakige Chuck duikt steeds weer op in het leven van Hans. Het is een onwaarschijnlijke vriendschap. Chuck is de selfmade zakenman die overal kansen ziet, altijd bezig met tien dingen tegelijk, druk telefonerend en over alles een mening. Hans is een rationele aandelen-analist, ingebed in het grote bedrijfsleven. En in de wereldpolitiek, want hij analyseert de oliemarkten, al wil hij niet nadenken over de ethiek van de Irak-oorlog.

Tijdens een van hun ontmoetingen neemt Chuck de Nederlander mee naar een verlaten terrein in Brooklyn. Hij droomt van zijn eigen cricket-imperium. Een nieuw cricketterrein, gekoppeld aan de verkoop van kleding en materiaal; dat moet wel een succes worden, met het sterke gegroeide aantal immigranten uit cricketlanden. Het is meer dan een zakelijke droom, het is een missie.  

Maar wat voor soort ondernemer is Chuck? Waarom heeft hij een aparte telefoon voor ultrakorte gesprekjes?  Wie is de morsige Rus Abelsky, die hem zijn naam leent (want die biedt meer zakelijke kansen dan Ramkissoon) en acteert als de big shot tijdens zakelijke onderhandelingen? Je krijgt de indruk dat Hans het eigenlijk niet wil weten. Chuck betekent voor hem in de eerste plaats cricket, en cricket betekent beschaving.

Hoe goed kunnen we elkaar echt kennen? Dat is ook de vraag die Abelsky aan het eind van de roman stelt aan Hans als die, inmiddels weer herenigd met zijn gezin in Londen, hem opbelt om meer te horen over de achtergronden van Chucks noodlot. 'Je denkt zeker dat ik hem heb vermoord, omdat ik een Rus ben? Maar dat geeft niet. Jij kende Chuck niet zoals ik hem kende. Je weet alleen wat je weet.'

 

Jennifer Egan - Manhattan Beach (2017)

Een boek voor iedereen die van de zee houdt, en wie doet dat niet? Overal in het verhaal is het water aanwezig, zelfs al speelt het zich voor het grootste deel af op het land. Het begint met een uitje van de elfjarige Anna Kerrigan met haar vader Eddie in het crisisjaar 1934. Ze gaan op visite bij een zakenrelatie, ene Dexter Styles, die in een vrijstaand huis aan zee woont, in Manhattan Beach in Brooklyn. Anna speelt er met de dochter des huizes en vergaapt zich aan de rijkdom, veel groter dan die van haar eigen sappelende familie. Met blote voeten loopt ze de zee in. Het is meteen duidelijk dat ze onbevangen is en niet bang aangelegd. Styles vindt haar stoerder dan zijn eigen, wat verwende dochter.

Wat die zakelijke relatie tussen Kerrigan en Styles precies inhoudt, blijft in het ongewisse. De Ier is een hardwerkende, steile man. Met zorgen: zijn oudste dochter Lydia is meervoudig gehandicapt, wat hij als een straf ervaart die wordt verdubbeld omdat hij nauwelijks met haar kan communiceren, terwijl dat zijn vrouw en zijn jongste dochter Anna wel lukt.

Dan springt het verhaal vooruit naar 1943. Anna werkt op de Naval Yard, de marinewerf, in Brooklyn. De oorlog heeft de traditionele rolpatronen veranderd. Er werken honderden vrouwen op de werf, veel jonge mannen zijn overzee. Maar Anna wil meer dan het eentonige opmeten van scheepsonderdelen. Ze wordt de eerste vrouwelijke diver. Het is een levensgevaarlijk beroep: onder water aan schepen werken met een loodzware bepakking aan en het risico om een longembolie op te lopen bij te snel opstijgen.

Er heerst een broeierige oorlogssfeer in de stad. De gesprekken gaan over Pearl Harbor, over de krauts, over de laatste ontwikkelingen aan het oostfront in Rusland. Maar het blijft ook een oorlog op afstand. Er is tegelijk een gevoel van vrijheid en er wordt gefeest in de stad. Ook door Anna. Maar wel met een groot gemis: haar vader Eddie is al jaren spoorloos verdwenen, niet lang na dat bezoek aan Dexter Styles in Manhattan Beach. Het is duidelijk dat die er iets mee te maken heeft. Ze komt Styles weer tegen in één van zijn nachtclubs, waarna ze besluit om de zoektocht in te zetten naar haar vader.

Die Styles  – wiens echte, Italiaanse naam ook voor de lezer geheim blijft  – is geen karikaturale gangster. Zijn clubs moeten vooral classy zijn en hij droomt ervan om samen met zijn dochter een legale business op te zetten. Hij krijgt sympathieke trekken als hij voldoet aan het verzoek van Anna om haar zieke zus Lydia één keer de zee te laten zien. Styles haalt de zussen op in zijn auto, waarna ze met zijn drieën het passagiersschip de Queen Mary de Atlantische Oceaan op zien varen. Vol met oorlogstroepen, zegt Styles, en te snel om te worden opgemerkt door de Duitse onderzeeërs.

Als Anna hem uiteindelijk opbiecht dat ze de dochter van Eddie Kerrigan is en op zoek naar haar vader, krijgt ze geen antwoorden. 'Zou jij niet willen dat jouw dochter je komt zoeken als je verdwijnt?' vraagt ze aan Styles. 'Dat is het laatste wat ik zou willen,' antwoordt de crimineel. 'Ik zou willen dat ze veilig is.' Als Lydia kort daarna overlijdt en haar moeder uit New York vertrekt, is Anna alleen in de stad, zoals zoveel jonge vrouwen. In die leegte wordt het gemis van haar vader steeds sterker. Ze weet dat hij nog leeft.

En dat is ook zo. In het tweede deel van de roman blijkt Eddie Kerrigan al jaren te zwerven over zee. Hij is opgeklommen tot officer en vertrekt uit San Francisco op een schip vol met tanks en ander oorlogsmaterieel. Pas buiten de Golden Gate horen ze dat de bestemming het Panamakanaal is. De opluchting aan boord is groot, want ‘alles is beter dan Moermansk’.  Maar het wordt alsnog een helletocht. Wat volgt is een prachtige beschrijving van de microkosmos op het schip; de onderlinge vernederingen, de oeverloze gesprekken tussen de bemanningsleden, die vooral geheimen en leed moeten verbergen. Je kunt vanaf het strand mijmeren over avontuur terwijl de schepen aan de horizon voorbij glijden, lijkt de schrijfster duidelijk te maken, maar de zee is niet de plek waar de mens thuishoort. 

Op het schip gaan Eddies gedachten terug naar het moment waarop hij aanklopt bij Styles, omdat hij dringend geld nodig heeft om een medische stoel voor de gehandicapte Lydia te kunnen aanschaffen. Naar hoe hij wordt aangenomen om voor de crimineel te komen werken en hoe bevrijd hij zich op dat moment voelt, nog niet wetend dat het zal eindigen in een jarenlange verbanning op het water.

13 april 2020

Geodicht



Blauwe luchten zonder veeg
Straten verstild en bijna leeg

Ontwijkingsdans op het trottoir
Geleid door minuscuul gevaar

Een rampenfilm, ook nog vertraagd
Vele momenten geduld gevraagd

Het volume is omlaaggebracht
Stemmen klinken helder en zacht

Gefluister in een andere taal
Een nieuw en vreemd normaal