12 december 2018

Liever een buurtmoestuin dan een groene metropool

Het groen in de stad staat zwaar onder druk. In Amsterdam is tussen 2003 en 2016 binnen de ringweg 600 voetbalvelden aan groen verdwenen. Als we zo doorgaan, worden onze steden onleefbaar. Want groen in de omgeving is juist zo belangrijk. Bomen koelen het klimaat, vangen water op en zuiveren de lucht. In een groene omgeving zijn mensen gelukkiger en gezonder, en  de huizen zijn er meer waard. Laten we daarom stoppen met het volbouwen van de stad.

Het bovenstaande is een korte samenvatting van het omslagartikel deze maand in Eigen Huis Magazine, het blad van de vereniging van huiseigenaren
. There are lies, damn lies and statistics, dacht ik bij het lezen. Want je kunt ook feiten noemen die een heel ander beeld laten zien. Zo heeft Amsterdam sinds 2016 een strenge bomenverordening, die voorschrijft dat er voor elke gekapte boom een nieuwe boom wordt teruggeplant. Hoeveel bomen er precies zijn in Amsterdam weet niemand, maar het zijn er waarschijnlijk meer dan ooit. De gemeente beheert 270.000 bomen (allemaal ingetekend naar soort op de bomen-website van de stad). Dat zijn er 100.000 meer dan in 1975. Het werkelijke aantal bomen wordt rond de één miljoen geschat. Wie de stad een beetje kent, weet dat het schrikbeeld van Amsterdam als versteende, onleefbare stad niet klopt. Als er nu één stad goed bezig is met groen, dan is het wel Amsterdam. De grachten zijn al van oudsher omzoomd door bomen, eerst lindes en tegenwoordig vooral iepen, en vanuit de wijken aan de buitenkant van de ringweg kun je overal langs een groen lint het buitengebied in fietsen of wandelen.  

Je kunt op eindeloos veel manieren berekenen hoe groen een stad is. Op Treepedia is van 27 steden gemeten hoeveel procent van de gebouwde omgeving een groen bladerdek heeft. Parken, grasvelden en groene ruimte rond de stad worden niet meegerekend. Op die manier meet je dus echt hoe groen de gebouwde omgeving is. Amsterdam staat met 20,6% op de dertiende plaats. Minder groen dan Oslo of Singapore, maar veel groener dan Londen of Parijs.

Van de 31 grootste steden in Nederland hebben Heerlen, Emmen en Lelystad de meeste vierkante meters groen per woning in de bebouwde kom, blijkt uit een onderzoek van de WUR uit 2014. Utrecht, Haarlem en Leiden bungelen onderaan, Amsterdam staat 23e. Als je zo'n lijstje ziet, zou je bijna zeggen: overal bomen kappen, want hoe minder groen hoe welvarender een stad is en hoe geliefder de woningmarkt. Onzin natuurlijk, maar het laat wel zien dat het veel te simpel is om alleen naar vierkante meters groen te kijken. In Amsterdamse wijken als de Bijlmer en Nieuw-West zijn in de afgelopen vijftien jaar grote lappen groen opgeofferd aan woningbouw. Vaak is daar nieuwer en beter groen voor in de plaats gekomen, zoals het Nelson Mandelapark in de Bijlmer. De nadruk in steden is verschoven naar kleinschalig groen: postzegelparkjes, geveltuintjes, buurtmoestuinen, groene daken. De volgende trend is verticaal groen. In Eindhoven en Utrecht worden torens gebouwd die zijn geïnspireerd op het bosco verticale van architect Stefano Boeri in Milaan. Dat wordt nog een leuke uitdaging straks voor onderzoekers: moet je het meetellen als groen of als gebouwde omgeving?

Trudotoren Eindhoven, artist's impression

Amsterdam, Bos en Lommer

Verdichten en vergroenen in de stad kan dus goed samengaan. Maar Eigen Huis Magazine creëert liever een spookbeeld. ‘Steden tot de laatste vierkante meter volbouwen, zoals Hong Kong, moeten we niet willen’, waarschuwt het blad. Waar moeten die 1 miljoen nog te bouwen huizen voor 2030 dan wel komen? Bij voorkeur buiten de bestaande stadsgrenzen, zegt de Wageningse onderzoeker Robbert Snep in het artikel. Landschapsarchitect Niek Roozen mag het stuk langs dezelfde lijn afsluiten: ‘Als we de gehele Randstad nu eens zien als een grote stad met het Groene Hart als schitterend park middenin, dan heb je de groenste metropool ter wereld’.

Daar komt de vinex-aap uit de mouw. Bouwen in de open ruimte als oplossing tegen de drukte. Nog meer dun uitgesmeerde verstedelijking, nog meer plekken die alleen met de auto bereikbaar zijn. Nieuwe woonwijken in het buitengebied zijn de droom van een flink deel van bouwend Nederland, vooral van grote ontwikkelaars met grondposities die sinds de vastgoedcrisis van 2008 in de wachtkamer zitten. Er is altijd wel een 'ruimdenkende' architect te vinden die deze lobby van een verhaal voorziet. Gewoon even een andere bril opzetten en jezelf inbeelden dat de Randstad één stad is, klinkt het dan. Op die manier is een weiland niet langer een schaarse open ruimte, maar een potentiële bouwkavel waarop we verder kunnen metselen aan onze groene metropool. Zet je hond achterin de auto, rij naar Aarlanderveen en doe alsof je in het Central Park van de Randstad bent.  

Dat er een spanning bestaat tussen bouwen en groen begrijpt iedereen. Soms is het écht heel jammer dat volwassen bomen moeten plaatsmaken voor een bouwproject, ook als er nieuw groen voor in de plaats komt. Maar het gevoel dat Nederland een druk en vol land is, komt niet doordat onze steden dichtbevolkt en versteend zijn. Dat zijn ze niet. Amsterdam is een groen dorp onder de wereldsteden, middelgrote steden als Nijmegen en Eindhoven hebben een lagere bevolkingsdichtheid dan slaperige stadjes in Andalusië. Het gevoel van drukte wordt veroorzaakt doordat we de ruimte rond en tussen de steden steeds verder laten dichtslibben. Bouwen in bestaand stedelijk gebied, met slim toevoegen van groen, is de oplossing, niet het probleem.

4 december 2018

Proud to serve local products


Als je door de Kinkerstraat loopt, de lange winkelstraat die vanuit de binnenstad dwars door Amsterdam-West snijdt, kun je met gemak zes of zeven verschillende talen opvangen. Aan het ene uiteinde van de straat klinkt soms nasaal Portugees, het gevolg van een clustertje Braziliaanse winkels en horeca. Af en toe hoor je nog Turks of Arabisch, of Nederlands met Amsterdamse tongval, want ondanks de toenemende verhipping heeft de straat haar volks-multiculturele karakter nog niet verloren. Geldtransferwinkels, kledingherstellers en massagesalons staan gebroederlijk naast de Action, de Blokker en het Kruidvat. Naarmate je dichterbij het centrum komt, neemt de kans toe op Frans, Spaans of Italiaans van toeristen.

Er zijn ook dagen waarop Engels de meest gehoorde taal is. Soms met een Amerikaans of Brits accent, maar vaker het internationale Engels dat in gemengde gezelschappen als voertaal dient. Het cliché dat Nederlanders steenkolenengels spreken, gaat in Amsterdam al lang niet meer op. Wat eerder opvalt, is hoe belachelijk goed het Engels van veel jonge Nederlanders is; je moet je best doen om nog een spoortje polderaccent te traceren. Steeds meer restaurants en winkels houden het bij Engels op de krijtborden: ‘We are proud to serve local products’. 

Het is vooral hard gegaan sinds de opening in 2014 van De Hallen, de oude tramremise die is verbouwd tot cultureel centrum. Vanaf dat moment is dit deel van Oud-West een verlengstuk van de binnenstad geworden. Zo voelt het ook steeds sterker. Bij de Albert Heijn in de buurt staan plukjes jonge toeristen bij de kassa met kant-en-klaar sandwiches, vertwijfeld kijkend bij de vraag van de kassière of ze een bonuskaart hebben. Er werken Poolse vakkenvullers die je in het Engels moet aanspreken om de weg naar een product te vragen. (Ik was zo verrast dat ik spontaan begon te hakkelen op zoek naar de vertaling van ‘kersen op sap’).

En dan is er natuurlijk AirBnB. In mijn straat in de Baarsjes, een buurt even voorbij de Kinkerstraat, zijn voormalige sociale huurwoningen verkocht door woningcorporaties en met flinke winst doorverkocht (denk aan prijzen van twee-en-halve ton voor 50 vierkante meter, met dakterras mag je er nog een halve ton bijdoen). Daarin mag de eigenaar twee maanden per jaar ‘hotelletje spelen’, al lijkt niemand te controleren of twee maanden ook daadwerkelijk twee maanden is. Het aantal rolkoffers op straat neemt gestaag toe. Onlangs raakte ik in gesprek met de hoofdbewoonster van zo’n pand (of ze de eigenaar is, heb ik niet gevraagd). Het bleek een jonge Roemeense te zijn; goede baan bij een internationaal bedrijf, veel op reis. Het was een leuk gesprek, te leuk om te verpesten met kritiek op AirBnB. Verder dan een wat plagerig "so you are the hotel manager", wat ze wel grappig scheen te vinden, kwam ik niet. Er klonk ook een verontschuldiging die ik vaker had gehoord: ‘Sorry, ik spreek wel een beetje Nederlands, maar ik heb nog geen tijd gehad om het goed te leren’. Intussen dacht ze waarschijnlijk hetzelfde als ik: we redden ons prima met Engels, dus why bother?

Dan hebben we het dus over een heel doorsnee woonbuurtje, dat amper vijftien jaar geleden nog op de lijst van achterstandswijken stond. Verderop, in het echte centrum, is de verengelsing al veel verder gevorderd. Zodra ik de Singelgracht oversteek, krijg ik het gevoel in een soort internationale zone terecht te komen, met steeds meer kroegen, restaurants en winkels waarin Engels de voertaal is. Opeens sta je voor een afweging die een paar jaar geleden nog ondenkbaar leek: zal ik hier Nederlands of Engels praten? Het doet een beetje denken aan Brussel, waar je als Nederlander voortdurend probeert te ontdekken, of te gokken, of een verkoper, serveerster of baliemedewerker Nederlands verstaat.



Het blijft niet bij horeca en winkels. Bij de bezetting in 2015 van het Bungehuis, een gebouw van de Universiteit van Amsterdam, werden de studenten (op hun verzoek) in het Engels toegesproken door burgemeester Eberhard van der Laan. Tijdens de laatste gemeenteraadsverkiezingen voerde de VVD campagne met If you love Amsterdam, vote VVD. Uitgebreid werden de standpunten in het Engels toegelicht op de website, met een nadruk op zaken als internationale scholen en een safe and clean city. Over immigratie en integratie, toch altijd belangrijke speerpunten van de rechts-liberalen, werd opvallend genoeg niets gezegd. Amsterdam is de enige stad op het vasteland van Europa waar je het redt met alleen Engels, zegt horeca-ondernemer Yossi Eliyahoo in een interview in Het Parool dit najaar. De Israeliër, die tien jaar geleden begon in de stad en elf restaurants heeft, verklaart dat hij 'wat woorden' Nederlands kent.

Je kunt het gebruik van Engels gemakkelijk afdoen als iets wat nu eenmaal bij een mini-wereldstad als Amsterdam hoort, iets wat er altijd al is geweest. Maar wat nu als dit iets anders is? Soms gaan ontwikkelingen zo snel dat je nauwelijks doorhebt wat er precies aan de hand is. Dit zou het begin van een nieuw taalgebied kunnen zijn: een zone, het centrum van Amsterdam met uitlopers, waarin Engels gestaag terrein verovert op Nederlands, net zolang tot het één van de voertalen in dat gebied wordt.

Moeten we er iets aan doen? De vraag is volgens mij eerder of we er iets aan kunnen doen. Natuurlijk moet je de woningmarkt reguleren, om te voorkomen dat de stad verandert in een beleggersparadijs vol tijdelijke woningen voor buitenlandse gasten. Je kunt regels bedenken die de verengelsing in het hoger onderwijs aan banden legt, zodat Nederlands behouden blijft als wetenschapstaal. Maar het zal niet voorkomen dat Engelstaligheid in de stad een permanent karakter krijgt. De immigratie van ‘westerse allochtonen', al jaren de snelst groeiende groep in de stad, zal doorgaan. Steeds meer mensen zullen besluiten dat Engels de meest logische taal is om te gebruiken, omdat dat de taal is waarin je jezelf het best verstaanbaar kunt maken. Engels is de gemakkelijkste weg, omdat het voor Nederlanders  eenvoudiger is hun Engels te verbeteren dan voor Engels sprekende niet-Nederlanders om Nederlands te leren, zeker als ze hier tijdelijk zijn. 

Regulering zal altijd achter de feiten aanhollen. Wat nu nog een tegemoetkoming is aan Engelstalige ‘gasten’ in de stad, zal verschuiven naar tweetaligheid. Tot er een punt wordt bereikt waarop het Nederlands een tegemoetkoming zal zijn aan de slinkende groep die daaraan hecht. De achterblijvers. De natives. Dan krijgen we bordjes met ‘Hier wordt Nederlands gesproken’. Of een apart symbool daarvoor, als teken van uitmuntende service.

Overdreven toekomstbeeld? Zo’n vaart zal het niet lopen? Dat dachten veel Brusselaars vast ook toen hun stadgenoten het Vlaams begonnen in te ruilen voor praktisch en statusverhogend Frans.

1 oktober 2018

Kaartlezen (33, slot) - Groen-Brittannië




Uitzicht vanaf een heuveltop over glooiende weiden gescheiden door heggen, hier en daar een boompartij en in de verte leigrijze rijtjeshuizen. Het is een iconisch beeld waarvan je meteen weet: dit is ergens in Groot-Brittannië. Of Britse steden mooi zijn, is een kwestie van smaak, maar de eilanders weten wel hoe ze de scheiding tussen stad en land moetenbewaren. Ook als je met de trein door het land reist, valt op dat de overgang tussen de bebouwing en het open landschap scherper is dan in bijvoorbeeld Nederland. De Britten waren er ook vroeg mee. De eerste plannen voor een groene bufferzone rond Londen dateren al van de jaren 1930. Vanaf 1947 is de green belt policy landelijk beleid. Er kwamen groene zones om de steden, waar grootschalige ontwikkelingen werden tegengehouden. Rond Londen was het doel het uitwaaieren van de stad te stoppen en woningbouw te concentreren in groeikernen op afstand van de stad, zoals Luton en Milton Keynes. Op andere plaatsen zorgden ze ervoor dat steden niet aan elkaar vastgroeiden, zoals rond Manchester, Leeds en Birmingham. In Engeland is 13% van het grondgebied green belt, in Wales en Schotland spelen ze een bescheidener rol.

Een planningssucces en een voorbeeld voor veel andere landen. Maar de green belt is zijn heilige status aan het verliezen nu een ander probleem zich opdringt: het tekort aan betaalbare woningen. In kosmopolitisch Londen, maar ook in andere Britse steden gaan de huizenprijzen door het dak en is een eigen huis vrijwel onbereikbaar geworden voor mensen met een gemiddeld salaris en zonder eigen vermogen. In elke Engelse stad heeft de gemiddelde huizenprijs zich in de afgelopen twintig jaar minimaal verdubbeld. Tegelijkertijd stokt de woningbouw. De green belts worden steeds vaker als een knellend keurslijf beschouwd. Vanuit economische hoek, vooral van vrije-markteconomen, was er altijd al kritiek op, omdat de groene zones de woningmarkt zouden verstoren en beletten dat woningen op de meest ‘logische’ plek komen. Maar ook sommige planners vinden dat er anders naar de groene gordels moet worden gekeken. De onafhankelijke denktank Centre for Cities pleit al jaren voor woningbouw in de groene gordels. Britse steden hebben zoveel meer huizen nodig, dat alleen hoger bouwen in de stad of omvorming van verouderde industriegebieden (brownfields) niet genoeg is. Door 5% van de green belts rond tien steden op te offeren aan woningbouw, berekenden de onderzoekers, kunnen anderhalf miljoen huizen worden gerealiseerd op loopafstand van stations.



Tegelijk met de discussie over het nut van de green belts is er een vraag naar meer openheid en beschikbaarheid van data. Het tweede kaartje laat zien dat slechts een klein deel van de metropolitane green belt rond Londen voor publiek toegankelijk is (het donkergroene deel). Het ontoegankelijke, lichtgroene deel bestaat vooral uit landbouwgebied, maar ook steeds meer uit bedrijventerreinen, infrastructuur en golfbanen.Grote investeerders kopen er grond, hopend op een waardestijging als dat stuk gebied van bestemming verandert. Het interessante project Who owns England  (whoownsengland.org) brengt in kaart wie de grondeigenaars zijn, welke plannen ze hebben en hoe ze lobbyen om die uitgevoerd te krijgen. Als de groene gordel steeds minder groen wordt en de grens tussen stad en land steeds poreuzer, is de gedachte, laat iedereen daar dan over meedenken in een publiek debat.

Verschenen in Geografie, oktober 2018

26 september 2018

Estse angst


Het is natuurlijk een misverstand dat je een land kunt leren kennen door een paar dagen in de hoofdstad door te brengen. Alleen al het feit dat je druk op zoek gaat naar ‘leuke dingen om te doen’, maakt dat je blik wordt vertroebeld. Zelfs als je uit nieuwsgierigheid een rit met de metro of tram naar de laatse halte in een buitenwijk maakt, iets wat ik altijd probeer te doen, vang je nog niet meer op dan een glimp.

Het bovenstaande is bedoeld als disclaimer, want ik was vorige maand een paar dagen in Tallinn en ga nu iets over Estland zeggen. Het eerste wat me opviel, is dat Esten zo tevreden lijken met het feit dat ze Est zijn. Overal waar je kijkt zie je de nationale driekleur, als vlag of geprojecteerd als lichtshow op gebouwen. Het Ests Historisch Museum, gevestigd in de gildehal in de knusse middeleeuwse binnenstad, is doortrokken van vrijheidsdrang. Het tijdperk waarin Estland deel uitmaakte van de Sovjet-Unie, dat volgde op de eerste onafhankelijkheidsperiode 1917 -1940, wordt er in niet mis te verstane woorden samengevat:

 …the Soviet army occupied Estonia in 1940. The will to be independent persisted, but Moscow’s rule continued for the next 50 years. Estonia’s yearning for freedom surfaced again in the late 1980s, culminating in the “Singing Revolution” and the restoration of independance in 1991. Estonians have one of the smallest nation states in the world, and having struggled for their own country, they hold it dear.

Vladimir Poetin mag denken dat het uiteenvallen van de Sovjet-Unie ‘het grootste drama van de twintigste eeuw is’, in Tallinn denken ze daar dus duidelijk anders over. Tussen de klederdrachten en de landbouwattributen in het museum staan beeldschermen waarop de bezoeker quizvragen kan beantwoorden over Estland en de Estse volksaard. Het is een vriendelijk soort nationalisme, ironie met een ondertoon van trots.

Nu heeft Estland ook iets om trots op te zijn. De binnenstad van Tallinn is een plaatje, met de Toompea-heuvel als uitstulping voor de belangrijkste overheidsgebouwen, daaromheen ambassades van landen die er na de onafhankelijkheid snel bij waren om de monumentale panden te betrekken. Het zou zomaar de mooist gelegen parlementswijk ter wereld kunnen zijn. Als voetganger heb je de binnenstad voor jezelf. Ondanks het massale toerisme zijn er nog verrassend veel rustige plekken. Er zijn daarentegen ook momenten waarop je het gevoel krijgt in een themapark rond te lopen; denk aan kelners in middeleeuwse kledij die bier in stenen karaffen rondbrengen.

Rond het centrum zie je een ambitieuze stad die duidelijk haast heeft om te stijgen op de ranglijst van kosmopolitische en leefbare steden. Aan het waterfront aan de haven staan gloednieuwe, smaakvolle appartementen. In de wijken die tegen het centrum aanliggen zijn oude fabrieken verbouwd tot cultuur-, koop- of uitgaanscentrum. De ruwere versie daarvan in de wijk Kalamaja ten noordwesten van de binnenstad, waar ook de markthal en de belangrijkste moderne musea van de stad liggen, de meer gepolijste versie in het Rotermann Quarter aan de oostkant. Hipsterwijken, heet het dan al snel in de buzz over een bestemming in opkomst. Ik vond dat nogal meevallen. Tallinn is gewoon een stad die zijn industrieel erfgoed slim benut, waar ze begrijpen dat bakstenen fabriekspijpen inmiddels net zo aantrekkelijk authentiek worden gevonden als gothische kerktorens. Als het al hip is, dan is het een nette en toeristvriendelijke versie daarvan.


Ruime keuze op de tap in Kalamaja

Linnahall

Wat nog minder goed lukt is fietsen, toch ook een onmisbaar ingrediënt van de hedendaagse leefbare stad. Ze willen duidelijk wel, met overal fietswinkels en hier en daar een fietsstrook. Maar Tallinn kent weinig fysieke barrières, waardoor de stad verspreid ligt over een groot gebied en de auto er voorlopig koning is. De stad heeft hier en daar ook een wat steriel en commerciëel gezicht. Zo ligt aan het westelijke uiteinde, kilometers buiten het centrum, een reusachtige shopping mall met de weinig Ests klinkende naam Rocca al Mare, omgeven door een parkeervlakte en luxe-appartementen aan het water. 

Monumenten uit de Sovjettijd zijn er nog genoeg, maar ze spelen een bijrol. Het beste voorbeeld is de Linnahall aan de haven, gebouwd in 1980 voor de zeilonderdelen van de Olympische Spelen. De half verruïneerde staat van het betonnen bouwwerk lijkt bijna een provocatie, een opzettelijk contrast met de glimmende nieuwbouw van na de onafhankelijkheid.

Aan het andere uiteinde van de stad staat nog zo’n Sovjetsymbool: de TV-toren, ook uit 1980. In de hectische dagen van augustus 1991 was die het toneel van een couppoging, toen de situatie in Moskou even onduidelijk was en enkele nog aanwezige Sovjet-militairen in Estland de toren binnenvielen. Vier Estse technici sloten zichzelf op in de controlekamer, waardoor de uitzendingen in het net onafhankelijke Estland konden doorgaan. Bij de ingang staat een monument om de daad van verzet te memoreren en bezoekers uitleg te geven.

Op het uitkijkplatform halverwege de toren moest ik even zoeken naar de rode daken van de binnenstad; de rijen flats in het oosten en zuiden van de stad uit de Sovjetperiode zijn gemakkelijker te vinden. Daartussenin liggen, losjes verspreid in het vele groen, de houten huizen van voor 1940 en de nieuwbouw van na 1991. Aan de overkant van het water was heel vaag een streep Finse kust te zien, tachtig kilometer verderop. Opeens besefte ik hoe klein het land is: met één hoofdbeweging uitzicht over ruim een op de drie Esten. Naast Tallinn zijn er nog drie wat grotere steden, die samen nog niet half zo veel inwoners hebben als de hoofdstad. De taal telt amper een miljoen sprekers, met alleen het Fins en heel ver weg het Hongaars als familie. Als deel van de Europese Unie, de Eurozone en de NAVO lijkt de economische en strategische veiligheid van Estland gegarandeerd. Maar dat wil nog niet zeggen dat het land wordt gezien. Hoeveel mede-Europeanen kunnen de naam van een Estse film, voetbalclub of de premier noemen? Hoeveel mensen zouden weten dat Skype een Estse uitvinding is? In de internationale media en politiek figureert het land vooral als een bufferzone, het speelveld van een mogelijke nieuwe koude of misschien zelfs warme oorlog, een geopolitiek pionnetje dat vaak niet eens een eigen naam wordt gegund en onder de noemer ‘de Baltische Staten’ wordt geveegd.

Of de Esten echt bang zijn voor een herhaling van de geschiedenis, betwijfel ik. Het lijkt me eerder dat die getoonde vrijheidsdrang en nationale trots voortkomen uit een gevoel van kwetsbaarheid, een angst om te verdwijnen in een te grote buitenwereld. Het bestaansrecht van zo'n klein land, met een eigen taal en cultuur, moet steeds weer opnieuw worden bevestigd. Dan kan een verleden om je tegen af te zetten een geschenk zijn.


Rocca al Mare


14 juli 2018

Geodicht




De fabrieken aan de Zaan
Sommige zullen er altijd staan

Andere gaan door kolossale zwakte
Op een dag tegen de vlakte

Te lomp, te leeg, geen nieuwe koper
Dan resteert nog slechts de sloper

Intussen ligt bij de makelaar
Een glimmende brochure klaar

Staat op het industriële puin 
Straks uw nieuwe achtertuin?

Weer wat Zaankant ingelijfd
Maar de geur van zetmeel blijft