1 oktober 2018

Kaartlezen (33, slot) - Groen-Brittannië




Uitzicht vanaf een heuveltop over glooiende weiden gescheiden door heggen, hier en daar een boompartij en in de verte leigrijze rijtjeshuizen. Het is een iconisch beeld waarvan je meteen weet: dit is ergens in Groot-Brittannië. Of Britse steden mooi zijn, is een kwestie van smaak, maar de eilanders weten wel hoe ze de scheiding tussen stad en land moetenbewaren. Ook als je met de trein door het land reist, valt op dat de overgang tussen de bebouwing en het open landschap scherper is dan in bijvoorbeeld Nederland. De Britten waren er ook vroeg mee. De eerste plannen voor een groene bufferzone rond Londen dateren al van de jaren 1930. Vanaf 1947 is de green belt policy landelijk beleid. Er kwamen groene zones om de steden, waar grootschalige ontwikkelingen werden tegengehouden. Rond Londen was het doel het uitwaaieren van de stad te stoppen en woningbouw te concentreren in groeikernen op afstand van de stad, zoals Luton en Milton Keynes. Op andere plaatsen zorgden ze ervoor dat steden niet aan elkaar vastgroeiden, zoals rond Manchester, Leeds en Birmingham. In Engeland is 13% van het grondgebied green belt, in Wales en Schotland spelen ze een bescheidener rol.

Een planningssucces en een voorbeeld voor veel andere landen. Maar de green belt is zijn heilige status aan het verliezen nu een ander probleem zich opdringt: het tekort aan betaalbare woningen. In kosmopolitisch Londen, maar ook in andere Britse steden gaan de huizenprijzen door het dak en is een eigen huis vrijwel onbereikbaar geworden voor mensen met een gemiddeld salaris en zonder eigen vermogen. In elke Engelse stad heeft de gemiddelde huizenprijs zich in de afgelopen twintig jaar minimaal verdubbeld. Tegelijkertijd stokt de woningbouw. De green belts worden steeds vaker als een knellend keurslijf beschouwd. Vanuit economische hoek, vooral van vrije-markteconomen, was er altijd al kritiek op, omdat de groene zones de woningmarkt zouden verstoren en beletten dat woningen op de meest ‘logische’ plek komen. Maar ook sommige planners vinden dat er anders naar de groene gordels moet worden gekeken. De onafhankelijke denktank Centre for Cities pleit al jaren voor woningbouw in de groene gordels. Britse steden hebben zoveel meer huizen nodig, dat alleen hoger bouwen in de stad of omvorming van verouderde industriegebieden (brownfields) niet genoeg is. Door 5% van de green belts rond tien steden op te offeren aan woningbouw, berekenden de onderzoekers, kunnen anderhalf miljoen huizen worden gerealiseerd op loopafstand van stations.



Tegelijk met de discussie over het nut van de green belts is er een vraag naar meer openheid en beschikbaarheid van data. Het tweede kaartje laat zien dat slechts een klein deel van de metropolitane green belt rond Londen voor publiek toegankelijk is (het donkergroene deel). Het ontoegankelijke, lichtgroene deel bestaat vooral uit landbouwgebied, maar ook steeds meer uit bedrijventerreinen, infrastructuur en golfbanen.Grote investeerders kopen er grond, hopend op een waardestijging als dat stuk gebied van bestemming verandert. Het interessante project Who owns England  (whoownsengland.org) brengt in kaart wie de grondeigenaars zijn, welke plannen ze hebben en hoe ze lobbyen om die uitgevoerd te krijgen. Als de groene gordel steeds minder groen wordt en de grens tussen stad en land steeds poreuzer, is de gedachte, laat iedereen daar dan over meedenken in een publiek debat.

Verschenen in Geografie, oktober 2018

26 september 2018

Estse angst


Het is natuurlijk een misverstand dat je een land kunt leren kennen door een paar dagen in de hoofdstad door te brengen. Alleen al het feit dat je druk op zoek gaat naar ‘leuke dingen om te doen’, maakt dat je blik wordt vertroebeld. Zelfs als je uit nieuwsgierigheid een rit met de metro of tram naar de laatse halte in een buitenwijk maakt, iets wat ik altijd probeer te doen, vang je nog niet meer op dan een glimp.

Het bovenstaande is bedoeld als disclaimer, want ik was vorige maand een paar dagen in Tallinn en ga nu iets over Estland zeggen. Het eerste wat me opviel, is dat Esten zo tevreden lijken met het feit dat ze Est zijn. Overal waar je kijkt zie je de nationale driekleur, als vlag of geprojecteerd als lichtshow op gebouwen. Het Ests Historisch Museum, gevestigd in de gildehal in de knusse middeleeuwse binnenstad, is doortrokken van vrijheidsdrang. Het tijdperk waarin Estland deel uitmaakte van de Sovjet-Unie, dat volgde op de eerste onafhankelijkheidsperiode 1917 -1940, wordt er in niet mis te verstane woorden samengevat:

 …the Soviet army occupied Estonia in 1940. The will to be independent persisted, but Moscow’s rule continued for the next 50 years. Estonia’s yearning for freedom surfaced again in the late 1980s, culminating in the “Singing Revolution” and the restoration of independance in 1991. Estonians have one of the smallest nation states in the world, and having struggled for their own country, they hold it dear.

Vladimir Poetin mag denken dat het uiteenvallen van de Sovjet-Unie ‘het grootste drama van de twintigste eeuw is’, in Tallinn denken ze daar dus duidelijk anders over. Tussen de klederdrachten en de landbouwattributen in het museum staan beeldschermen waarop de bezoeker quizvragen kan beantwoorden over Estland en de Estse volksaard. Het is een vriendelijk soort nationalisme, ironie met een ondertoon van trots.

Nu heeft Estland ook iets om trots op te zijn. De binnenstad van Tallinn is een plaatje, met de Toompea-heuvel als uitstulping voor de belangrijkste overheidsgebouwen, daaromheen ambassades van landen die er na de onafhankelijkheid snel bij waren om de monumentale panden te betrekken. Het zou zomaar de mooist gelegen parlementswijk ter wereld kunnen zijn. Als voetganger heb je de binnenstad voor jezelf. Ondanks het massale toerisme zijn er nog verrassend veel rustige plekken. Er zijn daarentegen ook momenten waarop je het gevoel krijgt in een themapark rond te lopen; denk aan kelners in middeleeuwse kledij die bier in stenen karaffen rondbrengen.

Rond het centrum zie je een ambitieuze stad die duidelijk haast heeft om te stijgen op de ranglijst van kosmopolitische en leefbare steden. Aan het waterfront aan de haven staan gloednieuwe, smaakvolle appartementen. In de wijken die tegen het centrum aanliggen zijn oude fabrieken verbouwd tot cultuur-, koop- of uitgaanscentrum. De ruwere versie daarvan in de wijk Kalamaja ten noordwesten van de binnenstad, waar ook de markthal en de belangrijkste moderne musea van de stad liggen, de meer gepolijste versie in het Rotermann Quarter aan de oostkant. Hipsterwijken, heet het dan al snel in de buzz over een bestemming in opkomst. Ik vond dat nogal meevallen. Tallinn is gewoon een stad die zijn industrieel erfgoed slim benut, waar ze begrijpen dat bakstenen fabriekspijpen inmiddels net zo aantrekkelijk authentiek worden gevonden als gothische kerktorens. Als het al hip is, dan is het een nette en toeristvriendelijke versie daarvan.


Ruime keuze op de tap in Kalamaja

Linnahall

Wat nog minder goed lukt is fietsen, toch ook een onmisbaar ingrediënt van de hedendaagse leefbare stad. Ze willen duidelijk wel, met overal fietswinkels en hier en daar een fietsstrook. Maar Tallinn kent weinig fysieke barrières, waardoor de stad verspreid ligt over een groot gebied en de auto er voorlopig koning is. De stad heeft hier en daar ook een wat steriel en commerciëel gezicht. Zo ligt aan het westelijke uiteinde, kilometers buiten het centrum, een reusachtige shopping mall met de weinig Ests klinkende naam Rocca al Mare, omgeven door een parkeervlakte en luxe-appartementen aan het water. 

Monumenten uit de Sovjettijd zijn er nog genoeg, maar ze spelen een bijrol. Het beste voorbeeld is de Linnahall aan de haven, gebouwd in 1980 voor de zeilonderdelen van de Olympische Spelen. De half verruïneerde staat van het betonnen bouwwerk lijkt bijna een provocatie, een opzettelijk contrast met de glimmende nieuwbouw van na de onafhankelijkheid.

Aan het andere uiteinde van de stad staat nog zo’n Sovjetsymbool: de TV-toren, ook uit 1980. In de hectische dagen van augustus 1991 was die het toneel van een couppoging, toen de situatie in Moskou even onduidelijk was en enkele nog aanwezige Sovjet-militairen in Estland de toren binnenvielen. Vier Estse technici sloten zichzelf op in de controlekamer, waardoor de uitzendingen in het net onafhankelijke Estland konden doorgaan. Bij de ingang staat een monument om de daad van verzet te memoreren en bezoekers uitleg te geven.

Op het uitkijkplatform halverwege de toren moest ik even zoeken naar de rode daken van de binnenstad; de rijen flats in het oosten en zuiden van de stad uit de Sovjetperiode zijn gemakkelijker te vinden. Daartussenin liggen, losjes verspreid in het vele groen, de houten huizen van voor 1940 en de nieuwbouw van na 1991. Aan de overkant van het water was heel vaag een streep Finse kust te zien, tachtig kilometer verderop. Opeens besefte ik hoe klein het land is: met één hoofdbeweging uitzicht over ruim een op de drie Esten. Naast Tallinn zijn er nog drie wat grotere steden, die samen nog niet half zo veel inwoners hebben als de hoofdstad. De taal telt amper een miljoen sprekers, met alleen het Fins en heel ver weg het Hongaars als familie. Als deel van de Europese Unie, de Eurozone en de NAVO lijkt de economische en strategische veiligheid van Estland gegarandeerd. Maar dat wil nog niet zeggen dat het land wordt gezien. Hoeveel mede-Europeanen kunnen de naam van een Estse film, voetbalclub of de premier noemen? Hoeveel mensen zouden weten dat Skype een Estse uitvinding is? In de internationale media en politiek figureert het land vooral als een bufferzone, het speelveld van een mogelijke nieuwe koude of misschien zelfs warme oorlog, een geopolitiek pionnetje dat vaak niet eens een eigen naam wordt gegund en onder de noemer ‘de Baltische Staten’ wordt geveegd.

Of de Esten echt bang zijn voor een herhaling van de geschiedenis, betwijfel ik. Het lijkt me eerder dat die getoonde vrijheidsdrang en nationale trots voortkomen uit een gevoel van kwetsbaarheid, een angst om te verdwijnen in een te grote buitenwereld. Het bestaansrecht van zo'n klein land, met een eigen taal en cultuur, moet steeds weer opnieuw worden bevestigd. Dan kan een verleden om je tegen af te zetten een geschenk zijn.


Rocca al Mare


14 juli 2018

Geodicht




De fabrieken aan de Zaan
Sommige zullen er altijd staan

Andere gaan door kolossale zwakte
Op een dag tegen de vlakte

Te lomp, te leeg, geen nieuwe koper
Dan resteert nog slechts de sloper

Intussen ligt bij de makelaar
Een glimmende brochure klaar

Staat op het industriële puin 
Straks uw nieuwe achtertuin?

Weer wat Zaankant ingelijfd
Maar de geur van zetmeel blijft




9 juli 2018

Dutch spoken here - How Amsterdam is becoming a bilingual city


De Kinkerstraat


When you walk through the Kinkerstraat, the long shopping street to the west of the Amsterdam inner city, you can easily catch six or seven different languages. At the western end of the street there is occasionally nasal Portuguese, due to a cluster of Brazilian shops and bars. You can still hear Arabic or Turkish sometimes, or Dutch in an Amsterdam accent, because despite gentrification the street has not yet lost its working class and multicultural character. Money transfer shops, clothing repairers and massage parlors are mixed with affordable chain stores. As you walk from west to east and get closer to the inner city, you will more likely hear the French, Spanish or Italian of tourists.

There are also days when English is the most common language. Sometimes with an American or British accent, but more often the international English that is the language of choice in mixed groups. Many times it is the Dutch doing the talking. Not any longer in broken English (the famous steenkolenengels or ‘coal English’), because most young Dutch in Amsterdam speak excellent English. More and more restaurants and shops are using only-English chalkboards. 'We are proud to use local products', I once read on one of them.

Things have changed especially fast after the opening in 2014 of De Hallen, the old tram depot that has been converted into a cultural center. From that moment on this part of the Kinkerstraat neighborhood has become an extension of the inner city. In the local supermarkets you will see young tourists with ready made sandwiches, looking puzzled at the cashiers question whether they own a bonus card. Some of the employees are Polish. They can show you the way to a product, but you have to ask them in English. (I was so surprised that I started stammering spontaneously, unable to translate kersen op sap as cherries in syrup).






And then of course there is Airbnb. In my neighborhood De Baarsjes, just to the west of the Kinkerstraat, former social houses have been sold by the housing corporations for relatively low prices and resold for much higher prices, in the range of 250.000 to 300.000 euros for a 50 m2 appartment. According to city policies, the new owners are allowed to let their appartments to guests for two months a year, although nobody seems to check if two months is actually two months. The rattling of trolley cases on the pavement has become a common sound. Recently I was talking to the chief occupant of one of these appartments (I did not ask if she was the owner). A young Romanian, good job at an international company, away for business a big part of the year. It was a nice conversation, too nice to ruin with criticizing Airbnb. I did not go beyond a teasing "So you are the hotel manager?”, which she seemed to think was rather funny. She made an apology that I had heard many times before in Amsterdam: "Sorry, I do speak a little Dutch, but I haven’t had the time to learn it better’. Meanwhile she probably thought the same as I did: we are doing well in English, so why bother about Dutch?

Still, the Baarsjes is nothing fancy, just an ordinary residential quarter that was on the list of deprived neighborhoods only fifteen years ago. Two kilometers to the east, in the inner city, the anglicisation is much more advanced. When I cross the Singel on my bicycle, the canal that encircles the inner city, it feels like entering a kind of international zone, where more and more bars, restaurants and shops are using English as the language of preference. Suddenly you are faced with a choice that seemed unthinkable in the past: will I speak Dutch or English here? It is somewhat reminiscent of Brussels, the once Flemish-Dutch speaking city that turned francophone, where as a Dutch visitor it is always a challenging game to figure out whether a shop-assistant, waitress or clerk is part of the Dutch-speaking minority, or at least willing to speak Dutch.

During the occupation in 2015 of the Bunge Huis, a building of the University of Amsterdam, the protesting students were (at their request) spoken to in English by mayor Eberhard van der Laan. During the municipal elections in the spring of 2018  the VVD, nationwide the largest party, campaigned with If you love Amsterdam vote VVD. The party's website had a page in English, with an emphasis on issues like international schools and ‘a safe and clean city’. Remarkably there was nothing about immigration and integration, usually important issues for the right-wing liberals. Apparently you are more than welcome as long as you bring money and English; don’t worry about the language, we’ll adapt to you. Amsterdam is the only city in mainland Europe where you just need English to make it, says entrepreneur Yossi Eliyahoo in an interview in local newspaper Het Parool. The Israeli, who started ten years ago in Amsterdam and is the owner of eleven restaurants in the city, admits that he only knows a few words of Dutch. 

The importance of English could easily be dismissed as something that belongs to the pocket-sized metropolis that Amsterdam is, and always has been. But what if this is different? What if this is one of those cases in which things move so fast that it is hard to see what exactly is going on? This could very well be the beginning of a new language area: the center of Amsterdam, with a few extensions, where English is steadily conquering ground, until the area becomes truly bilingual.

Should something be done about it? The question, it seems to me, is if something can be done. There is no doubt the housing market needs regulation to avoid the city turning into an investor’s paradise full of temporary housing. In the academic world efforts should be made to protect Dutch as a scientific language. But it will not prevent the presence of English in the city to get a permanent character. Some of the expats and international students will stay. The immigration of 'foreigners from western countries’, for many years the fastest growing immigrant group in the city, will continue. More people will decide that English is the best language to use, as it is the language in which the greatest number of people will understand what you are saying. It is also the choice that requires the smallest common effort in a mixed population, because learning Dutch is much harder for the non-Dutch than it is for the Dutch to improve their English.

Regulation will always be overtaken by events. What is still a concession to English speaking ‘guests’ in the city, will shift to bilingualism. Until a point is reached where the use of Dutch will be a concession to the shrinking group that has a problem using English. The laggards. The natives. Then we will have signs with ‘Dutch spoken here’, as if it is something special, a symbol of excellent service.

An exaggerated picture of the future? Will not happen? That must have been the thought of many people in Brussels in the 19th century, when their fellow citizens gradually started to replace Flemish with practical and status-enhancing French.

Nederlandse versie:

18 juni 2018

Kaartlezen (32) - Groeten uit de wereld



Bij het bezoeken van een populaire bestemming is het moeilijk om te ontsnappen aan rituelen die eraan herinneren dat je een toerist bent. In de rij voor een bezienswaardigheid. Om andere toeristen heen fotograferen, of zelf in de weg staan als een medebezoeker bezig is dat ene plaatje te schieten. Straatverkopers die je van grote afstand herkennen als mogelijke prooi. De laatste jaren zijn daar horecamedewerkers en lokale gidsen bijgekomen die je na afloop vragen om een goede recensie achter te laten op reissites als Tripadvisor. Ze doen het niet zomaar, want de kans is groot dat je vooraf zelf ook hebt gekeken op zo’n site. Het is de paradox van de vakantieganger: verrast willen worden, maar vooraf toch even opzoeken wat de leukste verrassingen zijn.

Deze wereldkaart (grote versie) laat zien wat volgens bezoekers van Tripadvisor, ’s werelds grootste website op het gebied van reisadvies, de beste bezienswaardigheid per land is. Vaak is het wat je verwacht: Machu Picchu in Peru, de Tafelberg in Zuid-Afrika, de Taj Mahal in India, het Rijksmuseum in Nederland. Soms verrassend (de Harry Potter Studio Tour in het Verenigd Koninkrijk, really?). En soms nieuwsgierig makend; de topattractie van Turkmenistan zou het “Door to Hell gas deposit” zijn. De bestemmingen zijn onderverdeeld in vier categorieën. Het hoogst scoren de natuurlijke bezienswaardigheden, die vooral in Zuid-Amerika en sub-Sahara Afrika de kaart domineren. Daarna volgen de historische bezienswaardigheden, de algemene toeristische bestemmingen (waarmee ook musea worden bedoeld) en religieuze monumenten als kathedralen, moskeeën en tempels.

Een aardige dwarsdoorsnede van het wereldtoerisme. Er valt ook wel iets aan te merken op de kaart. Zo lijkt het wat willekeurig dat een historische binnenstad in sommige landen als zelfstandige attractie geldt, terwijl andere het met een meer specifieke plek moeten doen. Ook het gebruik van grijs voor een van de vier categorieën is minder goed gekozen. Op een kaart met kleuren staat grijs meestal voor ‘geen gegevens’ of ‘niet van toepassing’. Het mooie aan deze kaart is juist dat hij zo volledig is. Letterlijk elke zelfstandige natie doet mee. Van China, met de Grote Muur uiteraard, tot het het piepkleine Palau met Jellyfish Lake, waarin miljoenen goudkleurige kwallen rondzwemmen. Toerisme is overal. 




Verschenen in Geografie, juni 2018
www.geografie.nl