9 maart 2022

Ooit waren hier Nederlanders


Narinõ, 1964-1966

Mijn vader (Drenthe) en moeder (Utrecht) hebben elkaar gevonden in Colombia. Tussen 1964 en 1966 maakten ze twee jaar lang deel uit van een groep van vijftien Nederlandse vrijwilligers in het stadje Tuquerres, hoog in de Andes in het zuidelijke departement Nariño. Samen met lokale organisaties probeerden de jonge Nederlanders - avontuurlijk ingestelde twintigers - het leven van het armste deel van de bevolking in het gebied te verbeteren. Met kraamhulp en andere medische zorg, voorlichting over gezondheid, landbouwkundig advies en het bouwen van scholen. Alles gebeurde onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Na een aantal mislukte pogingen in andere landen was het de eerste keer dat de Nederlandse overheid zo'n omvangrijke missie organiseerde.

Het ging bij ons thuis aan de eettafel dus vaak over Colombia. Mijn zusje en ik konden de verhalen na een tijdje dromen. Over de cavia's die vrij rondscharrelden in de huizen en op een weinig diervriendelijke manier werden gedood als de bewoners het tijd vonden voor een stukje vlees. Over een rok die zo stijf stond van het vuil dat hij na het uittrekken rechtop op de grond bleef staan. Over het paard van mijn moeder dat naast een gapende afgrond op hol sloeg. Over hoe het proefveldje met aardappelen van mijn vader - zelf zoon van een aardappelteler - werd kaalgevreten door schapen. Over hoe de stamppot werd geïntroduceerd: aardappelen en kool werden wel gegeten in het gebied, maar de Hollandse gewoonte om ze door elkaar te prakken was nog niet bekend. Over hoe mijn ouders samen de dorpjes bezochten - mijn moeder om kinderen te vaccineren tegen kinderziekten, mijn vader om kippen oogdruppels te geven tegen de 'snotziekte' - en hoe ze in elk huis een gepocheerd ei kregen aangeboden dat ze niet konden weigeren. Over hoe mijn moeder mensen vertelde dat ze niet alleen aardappelen en mais moesten eten, maar ook fruit.

Meestal was het mijn vader die de verhalen begon. Bij hem zat de Colombia-nostalgie duidelijk dieper dan bij mijn moeder. Het was mijn vader die soms spontaan in een Spaanstalig liedje uitbarstte, of een elpee met Colombiaanse muziek uit een kartonnen hoes haalde en op de platenspeler legde. Hij was het ook die tot verbazing van dorpsgenoten een houten bord met Tuquerres aan de gevel van ons huis in West-Knollendam hing. 

Kritische geluiden waren er soms ook. Waar die zich bij mijn vader richtten op 'de doctorandussen in Den Haag die geen idee hadden waar we mee bezig waren', liet mijn moeder wel eens doorschemeren dat het er ook in de vrijwilligersgroep zelf niet altijd harmonieus aan toeging. Zo waren er twee jeeps beschikbaar voor het uitgestrekte werkgebied. De ene was voor de projectleider en werd slechts bij hoge uitzondering uitgeleend, om de andere werd door 'de jongens' gevochten. 

De laatste jaren was mijn vader steeds zichtbaarder bezig met zijn Colombiaanse periode. Toen bij de verhuizing naar Zaandam de dozen vol met foto's en documenten weer eens tevoorschijn kwamen, besloot hij een boek te schrijven: Vrijwilliger in Colombia. Op Facebook maakte hij vrienden met inwoners van Tuquerres en omgeving. Daaronder ook de gepensioneerde leraar Jesús Ruano Angán, die zich die zich de Nederlandse vrijwilligers uit zijn kindertijd nog kon herinneren.


Nariño, 1964 - 1966


Het kwam niet als een hele grote verrassing toen mijn vader me eind vorig jaar vroeg om samen met hem terug te gaan naar Colombia. Ik kon gemakkelijk redenen bedenken waarom het niet zo'n goed idee was: hij begin tachtig, ons beider Spaans verre van perfect, Nariño een gebied waar nauwelijks toeristen komen, Colombia niet de meest voor de hand liggende reisbestemming, zelfs al is het land in de afgelopen jaren een stuk veiliger geworden. Maar ik kon ook geen nee zeggen. 

Begin februari kwamen we aan in Tuquerres, mijn vader voor de tweede keer, ik voor het eerst. Het beste hotel van de stad bleek te beschikken over een minuscuul straaltje warm water, dat meteen verdween als je de doucheknop iets te ver opendraaide. De spiegel in de badkamer hing op borsthoogte. Het stadje was druk en rumoerig, met overal brommers en auto's in smalle, versteende straten. Over de hobbelige stoepen, die op sommige plekken een halve meter boven de straat hingen, schoven voetgangers geroutineerd langs elkaar heen, waarbij ze ook nog de vele straatverkopers moesten ontwijken. De geuren waren die van zoetig brood, verbrand houtskool en gegrild vlees, de geluiden die van opzwepende salsamuziek en commerciële boodschappen uit de megafoons op reclame-auto's. 

Af en toe dacht ik iets te zien van hoe het moest zijn geweest in de jaren 1964-1966. Een paard en wagen die zich als laatste der Mohikanen tussen het autoverkeer begaf. Een groenteverkoper op de markt, een dikke wollen ruana om de schouders, ogen in een getaand gezicht die me nieuwsgierig bekeken vanonder een grote hoed. Op zulke momenten kwamen de foto's die ik van mijn ouders kende even tot leven. Maar ze duurden nooit lang, met naast me een vader die om de twintig meter verzuchtte dat alles helemaal was veranderd en dat hij weinig tot niets meer herkende.

In de avond werden we gastvrij onthaald door Jesús Ruano, zijn vrouw Miriam, zoon Luis Enrique en dochter Miriam Lucía. De klompen en delftsblauwe cadeautjes werden belangstellend uitgepakt. Aan de eettafel in de keuken zaten we aan de cena, een versie van Het Laatste Avondmaal aan de wand. Ons moeizame Spaans leek wonderwel te worden verstaan door de familie. We begrepen niet altijd meteen wat er tegen ons werd gezegd, maar uiteindelijk kwamen we er toch steeds uit. Er werden plannen gemaakt. Jesús zou ons de komende twee dagen met alle liefde door het voormalige werkgebied van de vrijwilligers rondrijden.

Over één ding bleef ik me een beetje zorgen maken. Zou er nog iets over zijn, na meer dan een halve eeuw, dat herinnerde aan die twee Nederlandse jaren? En als het er was, zouden we het vinden in de beperkte tijd die we hadden?

De volgende ochtend begonnen we aan de rand van Tuquerres. Daar was vroeger het 'meisjeshuis', waarin enkele vrouwen uit de vrijwilligersgroep woonden, onder wie mijn moeder. Het stond er nog steeds. Mijn vader sprak twee oudere vrouwen op straat aan. Nee, Nederlandse voluntarios in Tuquerres, in de jaren zestig, dat zei hen niets. Kenden ze dan misschien Maruja, vroeg mijn vader. Die woonde hier in deze straat, was van dezelfde leeftijd als de vrijwilligers en goed bevriend met de Nederlandse vrouwen. Maruja? Jazeker, ze kenden een Maruja hier in de straat. Ze woonde er al zo lang als ze zich konden herinneren. 

We belden aan bij de deur die ons was aangewezen, maar helaas tevergeefs. Er was niemand thuis.

De rest van de dag reden we door de veredas rond Tuquerres. Ik herkende hun namen uit het boek van mijn vader: San Roque, Guachucal, Quatro Esquinas, Sapuyes. Uitgestorven dorpjes langs onverharde wegen, de huizen soms afgebladderd vuilwit, dan weer geschilderd in de zuurstokkleuren waar ze in Colombia dol op zijn. Overal liepen of sliepen honden, pas met grote tegenzin plaatsmakend voor onze auto. In een van de dorpjes stond een rijtje grillrestaurants naast elkaar, grote borden van lachende cavia's erbij, zoals bij ons varkens en koeien hun eigen vlees aanprijzen bij de kiloknaller. En ook hier moest mijn vader vaak zeggen dat alles er zo anders uitzag dan hij zich kon herinneren, dat daar ooit dit was en daar ooit dat, maar nu niet meer.

Aan het eind van de middag kwamen we in de vereda Alban. We stapten uit op het hoogste punt. Naast de kerk stond een schoolgebouw dat met hulp van de Nederlandse vrijwilligers was gebouwd. Achter de muur rond het schoolplein hoorden we het geluid van spelende kinderen. Terwijl we foto's namen, kwam er een vrouw uit een tegenoverliggend huis om ons te bekijken. Geïnteresseerd hoorde ze het verhaal aan. Maar un grupo de voluntarios Holandeses, hier in Alban, het zei haar niets. 

Had ze Vicente Portilla dan misschien gekend, vroeg mijn vader. Dat was een bewoner van Alban met wie hij goed bevriend was. Maar natuurlijk had ze die gekend, zei ze. Hij was haar oom, ze heette Lina Portilla. Een paar huizen verderop woonde een oudere nicht van haar, Lourdes, die misschien meer wist.  

Ze nam ons mee naar een sober huisje verderop, laag en met kleine raampjes. Een vrouw deed open en Lina Portilla vertelde wie we waren. Na twee zinnen werd ze onderbroken. No me dice que son los Holandeses! Zeg me niet dat het de Nederlanders zijn! Wie is dit precies? Harm? O, Haro! Ja, die naam herinnerde ze zich nog. En hij is getrouwd met señorita Cox? Nee, ook die naam was ze niet vergeten.

We mochten binnenkomen. Ik moest me bukken in de deuropening. In een ruimte die was ingericht als een soort kapelletje kregen we koffie en brood. Er werden foto's gemaakt. Lourdes Portilla praatte honderduit, steeds één tand bloot lachend. Het meeste van wat ze zei verstond ik niet, maar een woord keerde steeds terug: milagro. Het was een wonder. Ooit waren hier Nederlanders, nu waren ze terug.

                                                            

Nariño, 1964 - 1966

De volgende dag bezochten we samen met Jesús en Miriam de Las Lajas kathedraal, een uur rijden van Tuquerres, gebouwd in een rivierkloof vlakbij de grens met Ecuador. In het museum onderin de kathedraal werd pre-Columbiaanse voorwerpen getoond. Ik zag er hetzelfde soort aardewerk potjes die mijn vader in 1966 had meegenomen naar Nederland en bij ons in de huiskamer stonden. Ik schrok ervan hoe oud ze waren, ergens tussen 700AD en 1200AD.

We reden terug door de sabana, de vruchtbare vlakte tussen de bergen waar de rijkere boeren hun fincas hebben. Ook die was onherkenbaar veranderd, vertelde mijn vader. De weg waarover we reden was in de tijd van de vrijwilligers onverhard en lag in het open veld, nu was het een met bomen omzoomde tweebaans asfaltweg. Het liep al tegen de avond. Het plan was om terug te keren naar het huis van de familie Ruano.

Ik zou nog een keer langs willen gaan bij Maruja, zei mijn vader in het Nederlands vanaf de voorstoel. Maar ik durf het bijna niet te vragen. Ze doen al zoveel voor ons.

Vraag het nou maar, zei ik.

En dus stopten we even later voor de tweede keer aan de rand van Tuquerres bij het voormalige meisjeshuis. Verderop stond nog een auto. Er zaten mensen in, de motor draaide. Onder toezien van Jesús, Miriam en mijzelf liep mijn vader ernaartoe.

Vanuit het openstaande autoraam klonk een kreet die genoeg zei. Het was Maruja. Als we een minuut later waren gekomen, hadden we haar opnieuw gemist. Ze stapte uit, omhelsde mijn vader en vertelde de bestuurder van de auto dat die zonder haar mocht vertrekken.

Maruja Rojas was een levendige, stijlvol geklede vrouw. Ze woonde in een lieflijk ingericht huis, met in het midden een overdekte patio waarin de grootste sanseveria stond die ik ooit heb gezien. En net als Lourdes Portilla leek ook zij zich los Holandeses nog te herinneren alsof het gisteren was. Moeiteloos dreunde ze namen van vrijwilligers op: Annet, Piet, Netty, Gijs. En nu, zomaar op een doordeweekse dag, vijfenvijftig jaar later, stond er één bij haar op de stoep, samen met zijn zoon. Ze kon het haast niet geloven. We mochten niet meteen weer vertrekken. Er moest een cafecito worden genomen in de stad.

Met zijn vijven zaten we in het restaurant. Daar drong pas goed tot me door wat die twee jaren van Nederlandse aanwezigheid in Tuquerres voor Maruja hadden betekend. Ze was er altijd aan blijven denken, zei ze met tranen in haar ogen. Altijd gefascineerd gebleven door alles wat Nederlands was. Het koningshuis, voetbal. Alles. Ze was verdrietig geweest toen de groep vrijwilligers vertrok, un poco traumatizada zelfs, en ook omdat het bij die ene groep was gebleven. Ze had rondgevraagd of er een vervolg kon komen, maar zonder resultaat.

Ik zag dat het ook mijn vader emotioneerde. Wat stilletjes zat hij aan tafel, luisterend naar Maruja Rojas. 

Vraag haar nog eens wat ze zich precies herinnert van mam, zei ik tegen hem.

Toen de vraag werd gesteld, moest Maruja even nadenken. Senõrita Cox was, hoe zou ze het zeggen, un poco seria, un poco solitaria

Hier kan ik niet mee thuiskomen, was mijn eerste gedachte. 'Serieus' misschien nog wel, maar 'op zichzelf' is zo ongeveer het laatste wat ik over mijn moeder zou zeggen. Maruja bleek echter te bedoelen, als ik het goed begreep, dat mijn moeder zich naar verhouding weinig met de vrijwilligersgroep bezig had gehouden en meer met de lokale bevolking. Altijd vriendelijk, buenas dias, buenas tardes en buenas noches tegen iedereen die ze tegenkwam. Het maakte haar muy querida. Mensen vonden het bijzonder, zoals ze ook altijd goede raad had voor iedereen, bijvoorbeeld dat ze aan de campesinos uitlegde hoe belangrijk het was dat zij en hun kinderen ook fruit aten.

Meer fruit eten. Dat verhaal kende ik uit de Zaanse huiskamer. Opeens verscheen het beeld voor mijn ogen, duidelijker dan het ooit eerder was geweest. Mijn moeder die te paard van dorp naar dorp trekt, over onverharde wegen, onderweg iedereen groetend, ver van huis, twee jaar lang, drieduizend meter hoog in de Andes, om het leven te verlichten van mensen die weinig hadden en nergens op rekenden.