Posts tonen met het label Nederland. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nederland. Alle posts tonen

7 januari 2020

Nederland in 2120


                                                                                                                    Afbeelding: De Volkskrant

Wat je ook kunt zeggen over de klimaatverandering, het zorgt in elk geval voor een terugkeer van de ruimtelijke ordening. Even leek Nederland wel zo’n beetje klaar. Maar de stijgende zeespiegel en de noodzaak van schone energie en een natuurvriendelijker landbouw vragen opnieuw om een grote verbouwing. De laatste tijd verschijnen er regelmatig kaarten van een toekomstig Nederland. Vaak staat het Westen daarin onder water, waarbij in het beste geval nog een paar steden zijn bewaard. Amsterdam als Venetië, maar dan echt. 

Een team onderzoekers van Wageningen University maakte een toekomstvisie van hoe Nederland er over honderd jaar uit zou kunnen zien. Het wordt vooral groener, met flink wat aanplant van bos. De duinen worden versterkt, de Noordzee wordt intensief gebruikt als wingewest voor energie en duurzaam voedsel, met oesters en zeewierteelt op windmolenparken. Steden groeien alleen nog in het hogere deel van het land. In Brabant komt er zelfs een hele nieuwe stedenrij bij, de ‘randzandstad’. 

Op het artikel in de Volkskrant en de bijbehorende kaart kwamen veel positieve reacties. Er is opluchting dat er niet eens zo veel verandert. Het ziet er aantrekkelijk uit, een land met meer bos en water. De grote steden worden doorsneden door dikke groene en blauwe aders, wat meteen vriendelijker oogt. De vele kleine steden liggen half verscholen in het bos, als huisjes in een recreatiepark. En daar houden mensen van. Er is nog iets: de bebouwing is bruin gekleurd. Daardoor valt ze bijna niet op en lijkt het alsof ze opgaat in de natuur. Als experimentje heb ik een paar uitsneden gemaakt en de steden rood gekleurd in plaats van bruin. Dan zie je opeens beter hoe verspreid de bebouwing is ingetekend.





Brabant wordt nog meer dan nu een stedenzwerm van kleine en middelgrote kernen. In het Noorden mogen plaatsen als Hoogeveen, Assen en Drachten uitdijen tot enorme afmetingen. Het totale oppervlak aan stedelijke bebouwing neemt dus flink toe in het Nederland van het Wageningse team. Een vreemde keuze voor een visie die in het teken staat van duurzaamheid. Als de bebouwing zo verspreid wordt, hoeveel ruimte blijft er dan écht over voor de natuur en voor natuurlijke landbouw? Want bestaande kernen zullen blijven bestaan. Mensen zullen werken, recreëren en zich verplaatsen in het omliggende gebied, dat natuurlijk niet zo netjes leeg zal zijn als op de kaart. 

De Wageningse onderzoekers hebben duidelijk niet veel met grootstedelijkheid en dichtheid. Dat blijkt ook uit het artikel in de Volkskrant, waarin één van de teamleden zegt dat een metropool ‘niet in de Nederlandse cultuur past’ en dat ‘mensen in kleine steden gelukkiger zijn’. Het zijn opmerkingen die helemaal passen in de Nederlandse planningstraditie. We hebben ons land altijd heel gelijkmatig gehouden. De groei van de grote steden is afgebogen naar suburbane groeikernen. We hebben vinexwijken gebouwd die in naam onderdeel zijn van de stad maar in de praktijk toch vaak zeeën van kleinstedelijke en dorpse laagbouw. En nu is het een self fulfilling prophecy geworden: Nederlanders houden niet van grootstedelijkheid. Dus op een toekomstkaart gaan we geen spannende dingen doen met grote steden waarin de voordelen van stedelijke verdichting, zowel ecologisch als in andere opzichten, worden benut. Dan tekenen we liever een vriendelijk ecodorp, op een kaart waarbij iedereen direct een vakantiegevoel krijgt. 

Op deze pagina meer uitleg over het project en een grote versie van de toekomstkaart Nederland in 2120.

12 december 2018

Liever een buurtmoestuin dan een groene metropool

Het groen in de stad staat zwaar onder druk. In Amsterdam is tussen 2003 en 2016 binnen de ringweg 600 voetbalvelden aan groen verdwenen. Als we zo doorgaan, worden onze steden onleefbaar. Want groen in de omgeving is juist zo belangrijk. Bomen koelen het klimaat, vangen water op en zuiveren de lucht. In een groene omgeving zijn mensen gelukkiger en gezonder, en  de huizen zijn er meer waard. Laten we daarom stoppen met het volbouwen van de stad.

Het bovenstaande is een korte samenvatting van het omslagartikel deze maand in Eigen Huis Magazine, het blad van de vereniging van huiseigenaren
. There are lies, damn lies and statistics, dacht ik bij het lezen. Want je kunt ook feiten noemen die een heel ander beeld laten zien. Zo heeft Amsterdam sinds 2016 een strenge bomenverordening, die voorschrijft dat er voor elke gekapte boom een nieuwe boom wordt teruggeplant. Hoeveel bomen er precies zijn in Amsterdam weet niemand, maar het zijn er waarschijnlijk meer dan ooit. De gemeente beheert 270.000 bomen (allemaal ingetekend naar soort op de bomen-website van de stad). Dat zijn er 100.000 meer dan in 1975. Het werkelijke aantal bomen wordt rond de één miljoen geschat. Wie de stad een beetje kent, weet dat het schrikbeeld van Amsterdam als versteende, onleefbare stad niet klopt. Als er nu één stad goed bezig is met groen, dan is het wel Amsterdam. De grachten zijn al van oudsher omzoomd door bomen, eerst lindes en tegenwoordig vooral iepen, en vanuit de wijken aan de buitenkant van de ringweg kun je overal langs een groen lint het buitengebied in fietsen of wandelen.  

Je kunt op eindeloos veel manieren berekenen hoe groen een stad is. Op Treepedia is van 27 steden gemeten hoeveel procent van de gebouwde omgeving een groen bladerdek heeft. Parken, grasvelden en groene ruimte rond de stad worden niet meegerekend. Op die manier meet je dus echt hoe groen de gebouwde omgeving is. Amsterdam staat met 20,6% op de dertiende plaats. Minder groen dan Oslo of Singapore, maar veel groener dan Londen of Parijs.

Van de 31 grootste steden in Nederland hebben Heerlen, Emmen en Lelystad de meeste vierkante meters groen per woning in de bebouwde kom, blijkt uit een onderzoek van de WUR uit 2014. Utrecht, Haarlem en Leiden bungelen onderaan, Amsterdam staat 23e. Als je zo'n lijstje ziet, zou je bijna zeggen: overal bomen kappen, want hoe minder groen hoe welvarender een stad is en hoe geliefder de woningmarkt. Onzin natuurlijk, maar het laat wel zien dat het veel te simpel is om alleen naar vierkante meters groen te kijken. In Amsterdamse wijken als de Bijlmer en Nieuw-West zijn in de afgelopen vijftien jaar grote lappen groen opgeofferd aan woningbouw. Vaak is daar nieuwer en beter groen voor in de plaats gekomen, zoals het Nelson Mandelapark in de Bijlmer. De nadruk in steden is verschoven naar kleinschalig groen: postzegelparkjes, geveltuintjes, buurtmoestuinen, groene daken. De volgende trend is verticaal groen. In Eindhoven en Utrecht worden torens gebouwd die zijn geïnspireerd op het bosco verticale van architect Stefano Boeri in Milaan. Dat wordt nog een leuke uitdaging straks voor onderzoekers: moet je het meetellen als groen of als gebouwde omgeving?

Trudotoren Eindhoven, artist's impression

Amsterdam, Bos en Lommer

Verdichten en vergroenen in de stad kan dus goed samengaan. Maar Eigen Huis Magazine creëert liever een spookbeeld. ‘Steden tot de laatste vierkante meter volbouwen, zoals Hong Kong, moeten we niet willen’, waarschuwt het blad. Waar moeten die 1 miljoen nog te bouwen huizen voor 2030 dan wel komen? Bij voorkeur buiten de bestaande stadsgrenzen, zegt de Wageningse onderzoeker Robbert Snep in het artikel. Landschapsarchitect Niek Roozen mag het stuk langs dezelfde lijn afsluiten: ‘Als we de gehele Randstad nu eens zien als een grote stad met het Groene Hart als schitterend park middenin, dan heb je de groenste metropool ter wereld’.

Daar komt de vinex-aap uit de mouw. Bouwen in de open ruimte als antwoord op de drukte. Nog meer dun uitgesmeerde verstedelijking, nog meer plekken die alleen met de auto bereikbaar zijn. Nieuwe woonwijken in het buitengebied zijn de droom van een flink deel van bouwend Nederland, vooral van grote ontwikkelaars met grondposities die sinds de vastgoedcrisis van 2008 in de wachtkamer zitten. Er is altijd wel een 'ruimdenkende' architect te vinden die deze lobby van een verhaal voorziet. Gewoon even een andere bril opzetten en jezelf inbeelden dat de Randstad één stad is, klinkt het dan, zo is een weiland niet langer een schaarse open ruimte maar een potentiële bouwkavel waarop we verder kunnen metselen aan onze groene metropool. Zet je hond achterin de auto, rij naar Aarlanderveen en doe alsof je in het Central Park van de Randstad bent.  

Dat er een spanning bestaat tussen bouwen en stedelijk groen begrijpt iedereen. Soms is het écht heel jammer dat volwassen bomen moeten plaatsmaken voor een bouwproject, ook als er nieuw groen voor in de plaats komt. Maar het gevoel dat Nederland een druk en vol land is, komt niet doordat onze steden dichtbevolkt en versteend zijn. Dat zijn ze niet. Amsterdam is een groen dorp onder de wereldsteden, middelgrote steden als Nijmegen en Eindhoven hebben een lagere bevolkingsdichtheid dan slaperige stadjes in Andalusië. Het gevoel van drukte wordt veroorzaakt doordat we de ruimte rond en tussen de steden steeds verder laten dichtslibben. Bouwen in bestaand stedelijk gebied, met slim toevoegen van groen, is de oplossing, niet het probleem.

11 januari 2018

Kaartlezen (28) - Vaarwel stad





Deze kaart van de Randstad levert een bekend beeld op. De vier grote steden horen bij de ene groep (geel) en de meeste andere gemeenten bij de andere (groen). Dan moet het wel iets met groei te maken hebben, denk je al snel. Want overal lezen en horen we dat de steden ongekend populair zijn en onstuimig groeien. De stad is the place to be, vooral voor jongeren. Hier is de verrassing: de kaart toont precies het omgekeerde. Hij laat de ontwikkeling zien van het aantal huishoudens van jonge dertigers (30-34 in 2011) met of zonder kinderen, in de periode 2011-2016. Geel is krimp, groen is groei. De vier grote steden verliezen juist dertigers, net als de studentensteden Delft en Leiden. Bijna alle andere gemeenten trekken jonge huishoudens aan. Je moet goed zoeken naar uitzonderingen. Slechts een paar kleinere gemeenten, waaronder Lisse en Gouda, slaagden er niet in om huishoudens uit deze groep te winnen.

De kaart is gemaakt door onderzoeks- en adviesbureau RIGO en komt uit de serie ‘Veel voorkomende misverstanden over de woningmarkt’. Een van die misverstanden is dus dat het aantal jongeren in de steden enkel toeneemt. Dat geldt misschien voor bepaalde groepen, zoals studenten en jonge buitenlandse werknemers, maar niet voor jonge gezinnen. Er zijn een paar verklaringen. Voor een deel is de uittocht van dertigers een inhaaleffect. Door de crisis bleven mensen langer zitten waar ze zaten. Een deel van de verhuizingen kwam bovendien terecht in grote Vinex-wijken die bij de stad horen, zoals Leidsche Rijn (Utrecht), Nesselande (Rotterdam) en IJburg (Amsterdam). Die effecten zijn nu deels uitgewerkt. En juist omdat de stad zo populair is, de huizenprijzen er zo snel zijn gestegen en er relatief weinig grotere woningen met tuin zijn, betekent verhuizen voor jonge gezinnen meestal een vertrek uit de stad.

Altijd goed als bestaande ideeën op hun kop worden gezet met nuchtere feiten. Helemaal als die feiten op een overzichtelijke kaart worden gepresenteerd. Het toont aan hoe je moet oppassen met algemene termen als groei, jongeren en aantrekkingskracht. Wat kaarten en statistieken dan weer minder goed laten zien, is hoe mensen zich voelen. Achter elke verhuizing schuilt een verhaal. Hoeveel stadverlaters zouden er balend in de trein of auto zitten, verlangend naar de tijd dat ze nog op de fiets sprongen naar hun werk in de stad? Hoeveel zijn er juist elke dag weer blij met hun huis met tuin? Het is van alle tijden dat mensen de stad verruilen voor een ruimere en rustigere woonomgeving. En ook dat je als huizenzoeker niet alles tegelijk moet willen, want het spreekwoordelijke boerderijtje in de Kalverstraat bestaat alleen in sprookjes. Maar toch: in hoeverre is die trek uit de stad van jonge gezinnen nu een positieve keuze en in hoeverre is het een noodgedwongen suburbanisering van mensen die eigenlijk stedelijker zouden willen wonen? Er is maar één manier om erachter te komen: vraag het ze. Niet vluchtig en vlak na de verhuizing,maar in een onderzoek dat verder kijkt. Echt een klus voor geografen.

Verschenen in Geografie, januari 2018

1 november 2017

Nederland is geen stad


Je hoort steeds vaker dat de Randstad, of zelfs heel Nederland, eigenlijk als één grote stad moet worden beschouwd. Sommige organisaties gebruiken het concept al. De toerismebranche, verenigd in Holland Marketing, spreekt over HollandCity en hoopt zo de drempel voor bezoekers te verlagen om vaker buiten Amsterdam te kijken. Het bedrijfsleven denkt onder aanvoering van VNO-NCW op nog grotere schaal en probeert buitenlandse investeerders te werven met de term Tristate City. Nederland is hier het knooppunt van Europe's #1 urban power center, een grensoverschrijdende metropool die reikt tot Keulen en Lille.

Als je naar de kaart kijkt, lijkt het een logische gedachte. Onze samenklontering van steden, stadjes en buitenwijken beslaat ruwweg de omvang van een grote buitenlandse metropool. De vergelijking gaat het best op als je de uitwaaierende Amerikaanse steden als voorbeeld gebruikt. Wie met de auto dwars door Los Angeles rijdt, is inderdaad ongeveer even lang onderweg als van Amsterdam naar Eindhoven. Neem je Europese of Aziatische steden als vergelijking – Londen, Parijs, Madrid, Barcelona, Tokio, Seoel – dan is onze ‘wereldstad’ relatief dunbevolkt en ruim van opzet. Door verdedigers van de één-stadgedachte wordt wel geopperd dat dit gebrek aan hoge dichtheden juist een voordeel is en dat we de nog open ruimtes tussen de steden, zoals het Groene Hart, als ‘parken’ moeten zien.

In 2003 schreef ik voor Elsevier een stuk met de titel ‘Los Angeles in Holland’. Het ging over de Rotterdams-Haagse regio, waar de ruimte bijna ongemerkt was dichtgegroeid met vinexwijken, bedrijventerreinen, kassen, spoorlijnen en snelwegen. Een sluipende verstedelijking, die de vraag opriep of we de regio niet beter als één grote metropool konden zien. Een vraag die op dat moment nog werd versterkt door de aankondiging van de Randstadrail, de sneltram die de binnensteden van Den Haag en Rotterdam met elkaar zou verbinden.

Een paar jaar geleden maakte ik de rit per Randstadrail tussen de twee steden. De sneltram passeerde nieuwbouwwijken en restanten van oude dorpskernen: Pijnacker, Berkel en Rodenrijs. Slaperige stations met ernaast lege vlaktes, parkeerterreinen en bouwkeet-achtige bebouwing waarvan je moest raden wat het was. Als het klopt dat Den Haag en Rotterdam samen één stad vormen, dan zou dit dus het geografische hart van die metropool moeten zijn: een half-stedelijk tussengebied dat je overal in Nederland kunt aantreffen. Blijkbaar zijn korte afstanden en korte reistijden niet genoeg voor grootstedelijkheid. En dan is de Haags-Rotterdamse regio nog het gebied waar de samenklontering het verst is voortgeschreden.

Een vaak gehoord argument voor de één-stadgedachte is dat die blijkt uit het reisgedrag van mensen. Mensen werken tegenwoordig de ene dag in Amsterdam en de andere in Den Haag en gaan net zo makkelijk naar een concert in Utrecht als in Rotterdam, klinkt het dan, dus laten we dat hele gebied voortaan als één stad zien. Het is typisch groepsdenken van professionals en een enorme onderschatting van het belang van de ‘echte’ stad. Natuurlijk is er een groep die regelmatig hopt van de ene stad naar de andere. Maar als je zes keer per jaar een zakelijke afspraak hebt in een vergadercentrum in Den Bosch, maakt dat je nog geen Bosschenaar. De eigen stad blijft de belangrijkste schaal waarop de grote meerderheid van de mensen zich beweegt, waar ze uitgaan en waar hun sociale netwerken zijn. Je laat je hond uit in het stadspark, niet in het Groene Hart.

Wie beweert dat Nederland of de Randstad één stad is, begrijpt niets van stedelijkheid. Stedelijkheid is een milieu, een omgeving die zich onderscheidt door een bundeling van kennis, kapitaal en creativiteit, en dat alles in een hoge dichtheid. We hebben in Nederland een handvol van dat soort plekken. Het zijn de centra van de grote en een paar middelgrote steden. Plekken die je ‘grootstedelijk’ of ‘metropolitaan’ mag noemen, zijn er nog minder. Het feit dat juist die plekken steeds drukker en populairder worden en dat de huizenprijzen er het hardst stijgen, is een bewijs dat we er te weinig van hebben. Als we Nederland grootstedelijker willen maken, laten we dan de echt grootstedelijke milieus koesteren en versterken. En laten we onszelf vooral niet wijsmaken dat Pijnacker er ook één van is. Niets ten nadele van Pijnacker trouwens, je kunt er vast lekker rustig wonen. 

Station Pijnacker-Zuid

7 juli 2017

Ja hoor, weer geen Drent


Ik maakte een grapje op Twitter. De aanleiding was het bekendmaken van de zes deelnemers aan Zomergasten van dit seizoen, en de jaarlijkse discussie daarover. De klachten gingen deze keer over het feit dat er maar twee vrouwen bij waren en over het 'te linkse' gehalte van de selectie. Klagen over Zomergasten is een jaarlijks ritueel, een gezelschapsspel voor de cultureel verantwoorde medemens, een high brow tegenhanger van het gemopper over de selectie van het Nederlands elftal voor een groot toernooi, wanneer er ook altijd klachten zijn over te veel of te weinig spelers van bepaalde clubs.

Ja hoor, weer niemand uit Drenthe erbij #Zomergasten, twitterde ik, als toespeling op dat geklaag. Maar even later begon er toch iets bij me te knagen. Was het eigenlijk wel een grap? Was er in al die seizoenen ooit wel eens iemand langs geweest die werd geboren in Drenthe? Het is gemakkelijk na te gaan op de Wikipedia-pagina over het programma. Alleen de wiki's van Henriette Maassen van den Brink (2003) en Jaap van Heerden (1997) vermelden geen geboorteplaats, en de uit Curaçao afkomstige gast van dit jaar Glenn Helberg had nog geen eigen wiki.

Na ouderwets turven kom ik uit op 84 zomergasten die in het westen van Nederland werden geboren. Dat is meer dan de helft van alle zomergasten. Die westelijke dominantie komt vooral dankzij Amsterdam (29) en Den Haag (13). De drie zuidelijke provincies doen met 19 gasten mee, Oost-Nederland met 12, Noord-Nederland met 8 en België met 13. De wieg van 21 gasten stond buiten Nederland of België, waaronder vier keer in Nederlands-Indië, drie keer in Suriname, drie keer in Duitsland en twee keer in Marokko.

Acht geboren noorderlingen dus. En hoeveel daarvan in Drenthe? Inderdaad, helemaal niemand. Al ging het op eind van het turven, toen ik begon te hopen dat er geen Drent bij was omdat mijn punt anders verloren zou gaan, nog bijna mis; vredesactiviste Sienie Strikwerda, te gast in het eerste seizoen (1988), werd geboren in Musselkanaal, dat net aan de Groningse kant van de Veenkoloniën ligt. De enige andere zomergastloze provincie is Flevoland. Zeeland doet alleen mee dankzij filosoof Ad Verbrugge (2006).

Je kunt je natuurlijk afvragen hoe erg het is. Zomergasten is een programma dat mensen uitnodigt die de top van hun vakgebied hebben bereikt, en Amsterdam en Den Haag brengen blijkbaar meer van dat soort mensen voort dan Drenthe, Limburg, Overijssel of Zeeland. Je kunt betogen dat het juist goed is dat de redactie geen concessies doet aan kwaliteitscriteria; het gaat erom wie je bent en wat je doet, niet om waar je vandaan komt. Daar kun je dan weer tegen inbrengen dat deze geografische verdeling wel erg scheef is, en dat de publieke omroep meer recht zou moeten doen aan de diversiteit van de samenleving. Of dat er genoeg interessante kandidaten van buiten West-Nederland zijn, als je ze maar weet te vinden. Het is dezelfde discussie als over het glazen plafond op de arbeidsmarkt. Of over de ondervertegenwoordiging van Nederlanders uit migrantengroepen bij de politie of in de politiek. 

Maar nooit is er ophef over het feit dat er geen enkele Drent aanwezig is in een gezelschap dat de hele Nederlandse samenleving moet vertegenwoordigen. Misschien kunnen we de vraag 'is er een Drent bij?' als extra check invoeren in het diversiteitsdebat. Niet om dat debat belachelijk te maken of te bagatelliseren, maar om te laten zien dat diversiteit en ondervertegenwoordiging vaak meer dimensies hebben dan je ziet op het eerste gezicht.

20 maart 2017

Splinterland


Nog één keer over de Tweede Kamerverkiezingen van 2017. De verkiezingen waarin partijen die zetels verloren tot winnaar werden uitgeroepen en partijen die zetels wonnen tot verliezer. De verkiezingen waarin Nederland een land van splinters werd. Zie er maar eens chocola van te maken. De kaart die de uitslag deze keer misschien wel het best symboliseert, is die van de gemeenten waarin partijen hun hoogste score behaalden. Dertien bastionnetjes, verspreid over het land. De PvdA mag uitwaaien op Terschelling, waar procentueel de grootste aanhang overbleef. Gooische vrouwen kiezen Mark, Utrechtse bakfietsers gaan voor Jesse. Emile Roemer en Alexander Pechtold zijn vast heel gewoon gebleven, anders zouden ze nooit de hoogste score in hun home towns Boxmeer en Wageningen hebben behaald. Volendam, waar ze de ansichtkaartversie van Nederland moeten verkopen, maakt zich met Thierry Baudet het meest zorgen over de homeopathische verdunning van de Nederlandse cultuur. De vraag is welke oplossing Partij voor de Dierenstemmers in oude Amsterdamse wijken bedenken voor hun muizen.

13 december 2016

Pas op voor kloofdenken

Asterix en de Broedertwist (1980)

Geografie maakt een sterke beurt op het moment. Overal in kranten en op websites verschijnen kaarten van verkiezingsuitslagen. Allemaal dankzij de kloof. Eerst was er de Brexit, toen Trump en daarna de Oostenrijkse presidentsverkiezingen. Steeds laten ze hetzelfde patroon zien: een enorm verschil tussen de steden en het landelijk gebied. Londenaren zagen op 24 juni tot hun afgrijzen dat 'de rest' hun land uit de Europese Unie had gestemd. In de Verenigde Staten won Hillary Clinton alle grote steden, maar werd Donald Trump president omdat hij toesloeg in de gebieden daarbuiten en zijn stemmen gunstiger verdeelde over het land. In Oostenrijk konden de inwoners van Wenen, Graz en Salzburg ternauwernood voorkomen dat de rechts-nationalistische Norbert Hofer president werd.

De analyse is steeds hetzelfde: in de stad wonen de rijken, de jongeren, de hoger opgeleiden en de immigranten. Daar geloven ze nog in internationalisering, in Europa en in de multiculturele samenleving. Buiten de stad heerst het onbehagen, daar zijn steeds meer mensen die het geloof in de politiek zijn kwijtgeraakt. 'De inwoners van de periferie weten onbewust dat ze niet nuttig zijn', zegt de Franse geograaf Jacques Lévy in een interview in de Volkskrant op 10 december. Marine Le Pen heeft weinig aanhang in de Franse steden, maar zou dankzij de provincie toch heel goed de volgende president kunnen worden.

Het is allemaal boeiend voor iedereen die is geïnteresseerd in geografie. Maar er wringt ook iets. Ten eerste is de simpele tweedeling stad/land juist voor Nederland niet erg geschikt. Ook bij ons zijn de steden gemiddeld linkser en kosmopolitischer. Maar de PVV, de partij die een groot deel van de proteststem vertegenwoordigt, scoorde bij vorige verkiezingen hoog in steden als Almere, Rotterdam, Heerlen en Zaanstad. Niet echt wat je noemt landelijk gebied. Het echte landelijk gebied is bij ons nog vooral in handen van traditionele partijen. Bijvoorbeeld het CDA in de kleinere gemeenten in Overijssel, de VVD in Noord-Hollandse poldergemeenten en de PvdA in Drenthe. En dan is er nog de bible belt, waar SGP en ChristenUnie een buffer vormen tegen electorale verrassingen.

Er zit hoe dan ook iets raars in die tweedeling tussen stad en periferie. Zijn we alweer vergeten hoe we bij de vorige kiezersopstand, in 2002, nog vooral spraken over 'de problemen in de wijken'? Criminaliteit, immigratie en integratie waren de onderwerpen. Pim Fortuyn veroverde Rotterdam, toch ook een grote stad. En nu hebben we het ineens, geïnspireerd door het buitenland, over bloeiende en zelfs 'elitaire' steden waar alles goed gaat en een ommeland dat knarst van de ontevredenheid. Een deel van de verklaring kan zijn dat het écht beter gaat met de steden dan vijftien jaar geleden, onder meer dankzij investeringen in nieuwbouw en het terugdringen van kansarme immigratie. Maar het blijft wel een opvallend grote omslag: van boze burgers in de wijken naar boze burgers in de periferie. Het toont aan dat onvrede niet gemakkelijk geografisch valt te vertalen, en ook dat je moet oppassen voor het denken in simpele tweedelingen.

Er is nog een ander bezwaar tegen het kloofdenken. Als politiek wordt teruggebracht tot een clash tussen gebieden en groeperingen, gaat het nauwelijks nog over de politiek zelf. Je kunt vaststellen dat Trump of Wilders veel aanhang hebben onder blanke, laagopgeleide inwoners in relatief arme regio's. Maar dan weet je nog niets over hun politieke opvattingen. Je kunt iemand toewerpen: 'Natuurlijk ben jij voor duurzame energie, want je bent hoogopgeleid en woont in een grote stad’. Maar dan heb je geen discussie over duurzame energie, je bent alleen etiketjes aan het plakken. Daar zit het probleem met het kloofdenken. Het ontneemt het zicht op de inhoud en haalt de verantwoordelijkheid weg bij mensen voor hun ideeën. Maar niemand is het slachtoffer van zijn woonplaats of groep. Vierkante kilometers stemmen niet, net zo min als groepen. Het kloofdenken doet geen recht aan de verscheidenheid aan politieke ideeën; zelfs in het fanatiekste PVV-buurtje woont een GroenLinkser, en andersom. Soms loopt de kloof zelfs dwars door mensen heen. Zie de portretjes bij elke verkiezingen van zwevende kiezers die aarzelen tussen soms totaal verschillende partijen als de SP en de VVD.

Het grootste kloof-onderwerp blijft de multiculturele samenleving. Nieuwsuur bracht eind november een reportage uit Steenbergen, de Brabantse gemeente waar eerder een raadsvergadering over de komst van asielzoekers werd verstoord. We zien een vinex-achtige wijk die overal in Nederland had kunnen staan. Ernaast een groot braakliggend terrein, waarop veertig miniwoningen moeten komen waarvan maximaal een derde voor statushouders. Verschillende omwonenden komen aan het woord. Sommigen zijn tegen ('Het is toch een ander soort mentaliteit'; 'Angst wil ik niet zeggen, maar geen fijn gevoel in de onderbuik.' ). Anderen zijn voor: ('Van mij mogen ze komen. Die mensen moeten ook ergens leven.'). 

Dan heeft de verslaggever het volgende gesprek met een vader bij de school, ook weer zo'n gloednieuw, intens keurig gebouwtje.
Verslaggever: 'Die mensen hebben een verblijfsvergunning, ze moeten toch ergens wonen?'
Man: 'Laat ze dan ergens anders naar toe brengen. Amsterdam of zo. Da's ver zat.'
Verslaggever: ‘Daar zitten ze ook.' (en dat klopt)
Man: ‘Ja, maar hier moeten ze in elk geval weg. Dat is duidelijk.'

Dit is hem dus in volle glorie. De kloof. Een boze - of is het bange? - burger die vindt dat de sobere huizen voor oorlogsvluchtelingen allemaal in de verre stad moeten worden gebouwd. Het is nuttig om te weten hoe zulke ideeën geografisch zijn verspreid en welke groepen mensen ze het vaakst hebben. Maar blijft het bij onderzoeken of mogen zulke opvattingen ook nog weersproken worden? Het risico bestaat, en je ziet het nu al gebeuren, dat extreme ideeën worden genormaliseerd als we ze alleen nog als geografische of sociologische patronen zien. Dat je woorden als xenofobie of racisme helemaal niet meer mag gebruiken, want dan ben je iemand die periferiebewoners of andere categorieën 'niet begrijpt'. Dan weten we alles over de kloof maar hebben we het politieke debat weggetoverd.

Afbeelding uit De Volkskrant, 10/12/2016

11 april 2016

Superlobbyist

Volgens de gangbare definitie is een lobbyist iemand die de belangen verdedigt van een bedrijf of bedrijfstak. Maar wat is een goede lobbyist? De beste lobbyisten zorgen ervoor dat ze zo weinig mogelijk op een lobbyist lijken. Ze adviseren overheden, treden op in de media als deskundige of zitten met bestuurders rond de tafel om maatschappelijke problemen op te lossen. Ze doen dat zo goed dat hun publiek even vergeet dat ze lobbyist zijn.

Als je het zo bekijkt is Friso de Zeeuw, directeur Nieuwe Markten van ontwikkelaar BPD, al jaren een superlobbyist. Dat bewijst hij opnieuw met Geef wonen de ruimte!, een door hem geschreven visie op het ruimtelijk beleid waar 36 middelgrote gemeenten hun handtekening onder hebben gezet (van de 37 gemeenten in het G32-netwerk kon alleen Venlo zich niet vinden in de tekst). Een gezamenlijke visie dus, van overheid en markt. Wie De Zeeuw de afgelopen jaren een beetje heeft gevolgd, herkent onmiddellijk de schrijfstijl en de standpunten. Bouwen in de stad, benutten van verouderde bedrijventerreinen en hergebruik van leegstaande gebouwen: het is allemaal heus wel belangrijk, maar we moeten het ook weer niet overdrijven. Want dan wordt het een 'starre ideologie die voorbijgaat aan de woonvoorkeur van mensen.' Laten we vooral niet vergeten dat suburbaan wonen in het groen óók de ruimte moet krijgen, vindt De Zeeuw, en laten we dat niet verhinderen door streng ruimtelijk beleid: 'In deze zienswijze passen geen harde rode contouren en kunstmatig gemillimeter.'

                                                                   Foto: Joost Enkelaar

Minder regels, meer ruimte. Het is het standpunt dat je verwacht van een grote ontwikkelaar op zoek naar opdrachten. Liefst voor woonwijken in het groen, want die zijn winstgevender dan het ombouwen van leegstaande kantoren, bouwen op verouderde bedrijventerreinen of anderszins bouwen in de bestaande stad. Verderop in Geef wonen de ruimte! vertelt De Zeeuw aan de bestuurders hoe ze zich moeten gedragen: 'Grotere marktgerichtheid, kostenreductie en minder rigide omgaan met (milieu)regels kunnen helpen om deze plannen toch van de grond te krijgen. Dit alles vergt een bestuursmentaliteit die – in jargontermen – met responsief, snel, adaptief, flexibel en communicatief valt te kenschetsen.'

Dat zijn toch wel opmerkelijke teksten, in een gezamenlijke visie van overheid en marktpartijen. Zijn de bestuurders van de middelgrote steden het toevallig helemaal eens met De Zeeuw? Is dit een vorm van zelfkastijding in de publieke sector? Sorry dat we regels hebben bedacht en die ook nog handhaven! Sorry dat we zo lastig zijn voor ontwikkelaars die in onze weilanden of akkers willen bouwen! Sorry dat we ons soms niet snel genoeg aan jullie wensen aanpassen! We zullen ons leven beteren!

Aan het eind komt ook nog de rol van het kabinet aan bod. De Zeeuw wil niet terug naar de 'verslaving aan subsidies' uit het verleden, schrijft hij. Daarin heeft hij zijn zin al gekregen, want de speciale middelen waaruit gemeenten ingewikkelde stedelijke bouwprojecten konden helpen financieren (ISV) zijn vorig jaar afgeschaft. Waar het Rijk wel ruimhartig de portemonnee voor moet trekken, is de nieuwe infrastructuur die nodig is om de gewenste woonwijken in het groen te ontsluiten: 'Het gaat er vooral om dat de goede randvoorwaarden voor project- en gebiedsontwikkeling worden gecreëerd. Denk daarbij onder meer aan de investeringen in mobiliteit en bestaande infrastructuurnetwerken.'

Je kunt Friso de Zeeuw, die eind deze maand afscheid neemt bij BPD, niets verwijten. Als lobbyist levert hij een topprestatie. Hij heeft verstand van zaken en hij weet anderen aan zich te binden. Uit het colofon van Geef wonen de ruimte! blijkt dat het stuk tot stand kwam na ronde-tafelgesprekken met de bestuursvoorzitters van negen grote bouw- en ontwikkelbedrijven en zes wethouders uit het netwerk van middelgrote steden. Het zegt veel over de stand van het ruimtelijk beleid op dit moment, misschien zelfs die van de hele publieke sector. Zes wethouders die mogen aanschuiven bij negen grote jongens uit de markt, gepokt en gemazeld in het vak. Gemeentebestuurders die zich hun visie laten voorschrijven door een vertegenwoordiger van een grote ontwikkelaar, blij dat ze hun handtekening mogen zetten onder een vlot geschreven tekst waarin ze zelf als lastposten worden weggezet. Dan hebben we het dus over gemeenten die te maken hebben met leegstand, met vergrijzing, soms met krimp in de regio (Heerlen, Almelo, Emmen) en met een overmaat aan bouwplannen. En dan toch een visie onderschrijven waarin een gebrek aan ruimte en een teveel aan regels als de grootste plaaggeesten in het ruimtelijk beleid worden bestempeld. Hoeveel zelfrespect heb je dan eigenlijk, als vertegenwoordiger van het publieke belang? Gelukkig hebben we Venlo nog.

Geef wonen de ruimte! kan hier worden gedownload.

4 april 2016

Kaartlezen (14) - Groene Bandstad

                                                                                 Afbeelding RTL Nieuws
Als de vele verhalen niet bedriegen, staan we aan de vooravond van een heuse auto-revolutie. Tabé vervuilende, benzineslurpende en ongelukken veroorzakende privé-auto; welkom schone, elektrische en zelfrijdende deelauto. Op dit moment rijdt nog een kleine minderheid van de Nederlanders in een elektrische of hybride auto, maar dat aandeel neemt snel toe. Een op de tien nieuw verkochte auto's heeft al een stekker. De groenste automobilisten wonen in een aaneengesloten gebied dat loopt van Delft via Leiden en Utrecht tot Arnhem. Het is niet helemaal de Randstad, meer een soort 'Bandstad' dwars door het land. In Noord- en Oost-Nederland wordt het minst elektrisch gereden. Openbare oplaadpunten liggen hier dunner verspreid, waardoor de vrees om met een lege accu langs de kant van de weg te staan waarschijnlijk een negatieve invloed heeft op de verkoop van elektrische auto's.

De kaart is gemaakt door RTL Nieuws op basis van de gegevens van de Rijksdienst voor Wegverkeer (RDW) van ruim 7 miljoen particuliere auto's. Op de website van de omroep staat een interactieve versie van de kaart waarop de score per gemeente is te zien. Opvallend is ook dat Amsterdam en Rotterdam lager scoren dan omliggende gemeenten, terwijl ze toch een hoge dichtheid aan openbare oplaadpunten hebben en Amsterdam zelfs de ambitie heeft om de 'wereldhoofdstad voor elektrisch rijden' te worden. Het bewijst dat het aandeel elektrische auto's niet alleen wordt bepaald door voorzieningen of beleid, maar ook door sociaal-economische factoren.

Die band door midden-Nederland, met een verdikking rond Utrecht, komt trouwens bekend voor. Een soortgelijk geografisch patroon kom je tegen op het kaartje van de gemiddelde huizenprijs. En ook op verkiezingskaarten is een zone Den Haag-Utrecht-Arnhem terug te vinden, als het gebied waar winnaar D66 vorig jaar de hoogste scores behaalde bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten. Ook enkele buitenliggers op de drie kaarten, zoals Alkmaar en een aantal Brabantse gemeenten, komen overeen. Het laat zien dat Nederland uit meer delen bestaat dan Randstad en niet-Randstad. Er loopt blijkbaar een green belt door het land waar het economisch goed gaat, de huizen duur zijn en de mensen Alexander Pechtold een geschikte kerel vinden. 

En waar ze dus vaak elektrisch rijden. Nu is 'vaak' wel relatief. In de groen gekleurde gemeenten op de kaart ligt het aandeel elektrisch rijden boven de 1,5%, in de  rode gebieden ligt het onder de 0,9%. De verschillen zijn dus niet zo heel groot. En er is een opvallende uitschieter: Urk heeft met 4% het hoogste aandeel groene rijders van alle gemeenten. Een mogelijke verklaring is dat het vissersdorp ook de gemeente is met de meeste Toyota-rijders, bij uitstek een merk dat elektrisch rijden promoot.

    






Verschenen in Geografie, april 2015
www.geografie.nl

10 maart 2016

Mag het wat minder keurig?

Op Twitter zag ik de plannen voorbijkomen voor de Kinkerstraat en Ferdinand Bolstraat. Twee belangrijke winkelstraten vlak buiten het centrum van Amsterdam die in een nieuw jasje worden gestoken, de een in Oud-West en de ander in de Pijp. Ik sloeg niet echt steil achterover van de plaatjes. Het is min of meer hoe alle straten er uitzien nadat ze zijn aangepakt: rode klinkers op de stoepen, aparte fietsstroken, minder of helemaal geen ruimte voor de auto, minder geparkeerde auto's en fietsen in het straatbeeld, het groen keurig gerangschikt in bakken. Denk de winkels met geinige namen er zelf bij - de jongste aanwinst in mijn buurt is T.I.T.S. (This Is The Shit), een meisjesspullenzaak met boyfriend corner - en je hebt de moderne stadsstraat anno 2016.

Het meest kenmerkend zijn toch wel die rode klinkers. Blijkbaar zit er ergens een ontwerpdictator op een onzichtbare troon die heeft bepaald dat 'kwaliteit' synoniem is aan rood baksteen, want je ziet ze overal: van Vinexwijken tot stadscentra tot opgeknapte winkelstraten in historische stadjes. En dus ook in kosmopolitisch Amsterdam, waar de gemeente de looproute vanaf het Centraal Station door de binnenstad langs de toeristische highlights heeft omgedoopt tot de Rode Loper.

In het noordelijk deel van de Ferdinand Bolstraat, het laatste stukje van de Rode Loper, is de beeldtaal zo ver doorgevoerd dat ook de fietspaden rode klinkers krijgen. Dat wordt nog wat met buitenlandse gasten die het verschil niet zien tussen het fietspad en de stoep. Of liever het stoepje, want na aanleg van de vrije fietspaden blijft er voor de voetganger een akelig smal paadje over. Net als in de Kinkerstraat trouwens; kijk eens naar de plantenbak op het plaatje en probeer je voor te stellen daar langs te moeten met een kinderwagen of scootmobiel op een drukke zaterdagmiddag. Vaak worden voetganger en fietser in één adem genoemd, maar het is duidelijk wie van die twee de echte koning is in Amsterdam.

Ferdinand Bolstraat (noordelijk deel), ontwerp

Kinkerstraat (oostelijk deel). ontwerp

Dit is dus de stad die je krijgt na veertig jaar terugdringen van de auto en voorrang geven aan de fiets. Vanzelfsprekend is er veel gewonnen; er zijn minder ernstige verkeersongelukken, de lucht is schoner en er zijn meer speelplekken in de stad dan vroeger. Maar volgens mij is er ook iets verloren gegaan. Noem het een grotestadsgevoel. Neem nu de Overtoom in Oud-West; voor hij werd vernieuwd vond ik dat altijd een bijzondere straat, met die brede trottoirs omzoomd door dikke bomen. Een echte stadsboulevard met voortjakkerend autoverkeer, een beetje Parijs in Amsterdam. Fietsen was er geen pretje, maar dat gaf niets want dat kon ook prima door het Vondelpark of door de Eerste Helmersstraat, die allebei parallel lopen aan de Overtoom. Eigenlijk is de Wibautstraat nog de enige echte stadsboulevard in Amsterdam. Ook die heeft een vernieuwingsbeurt gekregen, maar is gelukkig breed genoeg om een grootstedelijke uitstraling te houden. Ik heb hem altijd mooi van lelijkheid gevonden, ook in de jaren waarin hij steevast werd verkozen tot lelijkste straat van de stad.

Misschien zijn er nu mensen die vinden dat ik niet moet zeuren. Dat ik eens goed moet kijken naar foto's uit de jaren zeventig en tachtig die een chaotisch straatbeeld vol autoblik laten zien, in een stad die daar niet op is gebouwd. En trouwens, ik ben toch zelf ook fietser? Klopt allemaal, maar toch heb ik gemengde gevoelens bij de manier waarop de stad wordt verbeterd. Het is zo intens keurig. Zo eenvormig ook, alsof de ontwerpen allemaal uit dezelfde mal komen. Is dit echt het enige model voor de leefbare stad, of kun je die ook krijgen zonder roodbeklinkerde dorpsstoepjes en houten plantenbakken?

Volgens mij ben ik niet de enige die er last van heeft. Want die plotselinge liefdesverklaring aan Rotterdam die je overal hoort - ook, of zelfs juist, van Amsterdammers - komt die niet ook een beetje omdat 'nultien' nog wél het grotestadsgevoel heeft? Omdat daar nog veel straten zijn waar je bent omgeven door auto's en kille kantoorkolossen? Plekken die misschien niet voldoen aan een ideaalbeeld van leefbaarheid, maar waar je je nog wel ouderwets aangenaam lost in the city kunt voelen?

16 december 2015

Weg met hip

December is de maand van de lijstjes en de verkiezingen. Zoals die van het meest irritante woord van het jaar. Ik hoef er geen seconde over na te denken. Van mij mag 'hip' niet mee naar 2016. Je komt het al jaren overal tegen, maar de laatste tijd kun je echt geen reiskatern of zaterdagbijlage meer openslaan of de hippe winkeltjes en de hippe restaurantjes vliegen je om de oren. Die liggen dan uiteraard in hippe buurten van hippe steden. Zo schijnt bijvoorbeeld Rotterdam in het afgelopen jaar 'hipper dan Amsterdam' te zijn geworden. Een woordje dat oorspronkelijk is bedoeld om iets positiefs en unieks aan te duiden, is zo uitgegroeid tot een nietszeggend cliché. Wat denk je, als je die advertorial van Den Bosch ziet of dat reisartikel over Bilbao, zouden ze daar ook hippe winkeltjes en hippe buurtjes hebben? Ja hoor, daar ook. Pak je koffers!


Echt nieuw is het woord niet. In de oude betekenis wordt het vooral voor mensen gebruikt. Denk aan de hit Je bent niet hip van Patricia Paay uit 1967 (Je bent niet hip, je bent niet vlot. Je ouwe fiets die is altijd kapot. Je bent niet rijk, je bent niet knap. Je drinkt geen bier maar tomatensap). Pas later is het aan plaatsen verbonden geraakt. Hip is geografie geworden, het woord dat duidelijk maakt dat een plek geliefd is bij een bepaald soort publiek: jong, dynamisch en cultureel verantwoord, of mensen die dat zouden willen zijn.

Hip is ook onlosmakelijk verbonden met het verschijnsel gentrification. De Volkskrant had daar afgelopen zomer een zaterdagse special over, een prima inleiding voor lezers die het nog niet kenden. Alle aspecten van gentrification kwamen aan bod, van de sterke aantrekkingskracht van de stad op jonge hoger opgeleiden tot de overspannen woningmarkt die daarvan het gevolg is. Misschien wel het meest opvallende stuk in de special was van verslaggever Julien Althuisius. In Amsterdam gebeurt van alles om mensen zoals hij te plezieren, schrijft hij. Maar toch heeft hij er genoeg van. Hij heeft nu al heimwee naar de rauwheid zoals hij die elf jaar geleden nog aantrof toen hij als student in de stad kwam wonen. Een rauwheid die in steeds meer buurten plaatsmaakt voor een opvallend eenvormige verhipping, met winkeltjes die allemaal op dezelfde manier leuk en authentiek willen zijn: 'In Amsterdam zijn bijna geen wijken meer over waar je koffie met melk nog koffie met melk noemt en mensen niet teleurgesteld met hun hoofd schudden als je een uitsmijter op wit brood bestelt.'

Zie daar de tragiek van hip. Hip is goed, hebben we elkaar voortdurend verteld. Maar nu hip heeft gewonnen, en in Amsterdam zelfs bijna de hele stad heeft veroverd, gaan uitgerekend de hippe mensen klagen dat alles te hip is geworden. Dit gaat om meer dan  de vormgeving of het aanbod van restaurants en winkels. Dat is maar buitenkant. Dit gaat om iets anders: eigenlijk willen we helemaal geen reservaten met mensen die precies op ons lijken. We willen geen eenvormigheid maar diversiteit. We willen plekken waar het goed toeven is voor iedereen, niet voor een dominante groep met een zelf opgelegde smaak. We missen alleen nog een naam voor dat soort plekken, een term die dezelfde zeggingskracht heeft als 'hip' ooit had. Eerst maar eens dat woordje bij het klein vuil zetten.

20 oktober 2015

Yoga in de vinex

Startende bedrijfjes zitten vaak op onverwachte plekken, die oorspronkelijk nooit waren bedoeld om als bedrijfsruimte te dienen. Zoals op zolders, in garages en in andere extra ruimtes van woningen in vinexwijken. Dat is de conclusie uit een onderzoek van het Utrechtse stedebouwkundig bureau Nieuwe Gracht naar de opkomst van kleinschalige bedrijvigheid in stedelijke gebieden. Verrassend? Of toch ook logisch? De vinex is de thuishaven van de werkende middenklasse. Er is geld, er is kennis. Er zijn bewoners die, al dan niet gedwongen, hun vaste baan verlaten om als zelfstandige verder te gaan. Er zijn vrije uren, mede dankzij het anderhalfverdienersmodel waarin een partner full time werkt en de ander in deeltijd. Dat moet wel tot bedrijvigheid leiden, zeker in een tijdperk waarin je in een handomdraai een eigen webshop opzet.
Alleen jammer dat er aan de buitenkant nog zo weinig van te zien is. Het ontbreekt in vinexwijken aan wat in vrijwel elk ander soort woonomgeving heel normaal is. Geen zichtbare winkels of kantoren tussen de huizen, laat staan een groenteboer of bakker. Hoogstens een half verscholen bordje tussen de muurplanten waarop te zien is dat iemand een yoga- of adviespraktijk heeft. Het is een gevolg van de beslissing om alle bedrijvigheid in één winkelcentrum onder te brengen. Voor ontwikkelende partijen zijn de opbrengsten uit winkelvastgoed een vast onderdeel van het verdienmodel. Gemeenten zijn hierin meegegaan en hebben nauwkeurig vastgelegd dat er op andere plekken geen bedrijven bij mogen komen. Wonen en werken netjes van elkaar gescheiden; het doet denken aan de jaren vijftig.
Niet alle bewoners leggen zich daarbij neer. In Leidsche Rijn is een groep bewoners al enkele jaren bezig om een permanent marktplein te beginnen onder de naam Vinexmarkt. Het initiatief is ontstaan uit onvrede met het gebrek aan levendigheid en ontmoetingsplekken in de wijk. Een andere Leidsche-Rijnbewoonster beschrijft op haar blog hoe ze in haar wijk een rommelwinkeltje ontdekt waarin niets duurder is dan vijf euro. De verkoopster is er spontaan mee begonnen, zonder zich af te vragen of het mag. Het zet 'Vinexvrouwtje' aan tot de volgende overpeinzing:
‘In de Vinex is alles tot op de millimeter gepland. Elke struik, elke boom, krijgt eerst op papier een plekje voordat er echt iets in de grond wordt gestopt’ ...  ‘Niks onstaat zomaar. En als het wel zo is, is dat automatisch ‘tegen’ de regels, want het stond niet in het plan. Ik kan me er er nog steeds over verbazen dat je in een ‘vrij’ land zo weinig mag en dat iedereen zich daar ook zo gedwee bij neerlegt.’

Volgens mij bewijst het twee dingen. Ten eerste dat je geen verstokte vinexhater hoeft te zijn om kritiek te hebben op de manier waarop die wijken zijn gepland. Ten tweede dat nieuwe wijken altijd minder 'af' zijn dan we denken. Je kunt ze ook zien als een plattegrond waarop de stedelijkheid nog moet beginnen en waar de tijd nog overheen moet gaan. Het wordt steeds duidelijker dat bewoners zelf willen bepalen hoe de toekomst van hun woonomgeving er uitziet. Maar in wat voor soort wijk wil de burger wonen? Grofweg zijn er op dit moment twee geluiden te horen. Het ene is dat de populariteit van typisch stedelijke woonmilieus verder zal toenemen. Jongeren zullen steeds meer naar de stad trekken om er te studeren en te werken. Ze blijven er wonen, ook nadat ze een gezin hebben gesticht. Daar staan geluiden tegenover die waarschuwen dat de behoefte aan grootstedelijk wonen niet moet worden overdreven omdat een grote meerderheid een voorkeur blijft houden voor een meer ‘burgerlijke’ groenstedelijke omgeving. Zie bijvoorbeeld de reactie van Friso de Zeeuw en Rink Drost op het PBL-onderzoek De Stad: Magneet, Roltrap en Spons.
Altijd bruikbaar als er twee standpunten tegenover elkaar staan, dat brengt scherpte in het debat. Maar je krijgt zo wel de indruk dat er maar twee mensentypen bestaan. Aan de ene kant de grotestadsbewoner die van koffietent naar vintageshop hopt en het helemaal niet erg vindt om midden in de stad een gezin te stichten zolang er maar parkeerruimte is voor de bakfiets. En aan de andere zou er dan een groenstedelijk type bestaan - laten we zeggen de Homo vinex - dat woont in een wijk waar je overdag een kanon kunt afschieten en tevreden inkopen doet in een sfeerloos, halfleeg winkelcentrum dat in 1996 aan de tekentafel is bedacht.
Een kloof door de bevolking tussen typische grootstadbewoners en groenstadbewoners? Ik geloof er eigenlijk niets van. Ik denk dat ook ‘vinexmensen’, voor zover die al bestaan, houden van diversiteit. En dat zichtbaar ondernemerschap in wijken veel belangrijker is dan we tien of twintig jaar geleden konden vermoeden. Ook in groenstedelijke wijken. Dat daar nog maar veel guerrillawinkeltjes, pop-upmarkten en praktijken-aan-huis mogen bijkomen. En dat ze maar flink de ruimte mogen krijgen, of nemen.


Winkelcentrum en geluidswal The Wall in Leidsche Rijn, Utrecht


18 juni 2015

RO in de media, het blijft lastig

Het botert vaak niet tussen de landelijke media en ruimtelijke onderwerpen. Als er bijvoorbeeld weer eens een kritisch rapport is uitgekomen over de aanpak van achterstandswijken, gaan journalisten niet zelf kijken in zo'n achterstandswijk. Ze bellen liever een hoogleraar. Die houdt dan een genuanceerd verhaal, zo genuanceerd dat alle vooroordelen over het 'saaie' vakgebied worden bevestigd. Of ze gaan naar Ella Vogelaar, niet om te praten over de wijken maar om te praten over haar persoonlijke belevenissen als minister. ('En hoe voelde dat nou?'). Want dat is natuurlijk veel interessanter dan de vraag waarom we in Nederland nauwelijks echte ghetto's hebben en of dat misschien toch iets te maken heeft met de investeringen in achterstandswijken.

Afgelopen woensdag was het weer raak. Het programma De Nieuws BV op Radio1 besteedde aandacht aan de discussie over de groei van Amsterdam. Aanleiding was een artikel in Trouw waarin hoogleraren Zef Hemel en Frank van Oort pleiten voor een sterkere groei van de steden. Voor RO-watchers is het een bekende discussie: Nederland zou een echte metropool nodig hebben om internationaal mee te blijven tellen. Amsterdam heeft nooit een eerlijke kans gekregen om die metropool te worden. Nu het stedelijke woonmilieu geliefder is dan ooit, is het tijd om dat recht te zetten.

Hartstikke relevant allemaal en echt een onderwerp voor een nationale nieuwszender. Het gaat immers om een concrete vraag: moeten we blijven bouwen in randgemeenten als Almere, Zaanstad en Haarlemmermeer of moeten we al onze kaarten op Amsterdam zetten? Het begon nog redelijk, met architect Elma van Beek die vertelde dat er in Amsterdam-Noord en Zuidoost nog veel ruimte is om te bouwen. Vervolgens hadden de radiomakers kunnen kiezen voor meer diepgang. Ze hadden kunnen kiezen voor iemand die het er niet mee eens is dat we alle kaarten op Amsterdam moeten zetten. Friso de Zeeuw bijvoorbeeld, die al jaren zegt dat we niet alleen naar de grote steden maar ook naar het tussenliggende gebied moeten kijken. Of Pieter Tordoir, die onlangs samen met Regioplan De veranderende geografie van Nederland uitbracht, een uitgebreid onderzoek waarin de nadruk meer ligt op stedelijke netwerken dan op individuele steden.

Maar dat deed De Nieuws BV niet. Met wie ze wel belden? Met Dries Roelvink en Gerard Cox. Want Roelvink is een Amsterdammer en Cox is een Rotterdammer. En dat is lollig, snapt u, want Amsterdammers en Rotterdammers hebben altijd ruzie met elkaar. Gerard Cox had trouwens helemaal geen zin om te reageren en zei dat ook. Maar die weigering werd gewoon uitgezonden. Dus zelfs als grap was het mislukt, tenzij je het grappig vindt om Gerard Cox te horen zeggen dat hij niet wil meewerken aan een interview. Ik begon te verlangen naar Jack Spijkerman die luisteraars vroeger blij maakte met de mededeling dat ze een kluunwaps hadden gewonnen. En naar publieke media die ruimtelijke thema's de journalistieke diepgang geven die ze verdienen.