Posts tonen met het label wijken. Alle posts tonen
Posts tonen met het label wijken. Alle posts tonen

23 november 2019

De kosmopolitische zone


Verschenen in Geografie, november/december 2019 
www.geografie.nl




Amsterdam groeit en bloeit, zo onstuimig dat hier en daar al over een tweede Gouden Eeuw wordt gesproken. Het krijgt meer inwoners, wordt welvarender en trekt meer bezoekers. Compleet nieuwe wijken als Haven-Stad en de geplande hoogbouwwijk Sluisbuurt, allebei langs het IJ, zullen de stad rond 2034 boven de één miljoen inwoners tillen. Een kijkje achter de cijfers laat zien dat de groei selectief is. De bevolkingsgroei kwam in de jaren 2015-2017 helemaal voor rekening van immigratie uit het buitenland, met de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, India en Italië als belangrijkste herkomstlanden. De stad verloor meer inwoners aan de rest van Nederland dan het daaruit aantrekt. Vooral jonge gezinnen vertrekken na de komst van het eerste of tweede kind naar een omliggende gemeente, waar een ruimere woning nog enigszins betaalbaar is. 

De groei van de stad betekent in de praktijk krimpende kansen voor veel Amsterdammers, of voor degenen die dat willen worden. De kans op een betaalbare woning in Amsterdam is voor veel huizenzoekers zo goed als verdampt. De gemiddelde verkoopprijs van een Amsterdamse woning is vooral sinds 2013 veel sneller gestegen dan in de rest van het land en ligt nu rond de € 450.000. Tegelijkertijd  nam het aantal sociale huurwoningen tussen 2002 en 2017 af met 30.000. Ook gekrompen is het deel van het inkomen dat overblijft nadat de vaste lasten zijn betaald. Amsterdammers zijn gemiddeld 38% van hun huishoudinkomen kwijt aan wonen, een stijging die helemaal voor rekening komt van huurders. Wat verder krimpt is het aantal vierkante meters dat huizenkopers zich kunnen veroorloven. Vorig jaar kreeg je 54 m² Amsterdamse woning voor drie ton, waar dat in 2009 nog 80 m² was. Ter vergelijking: in Utrecht, dat na Amsterdam de meest gewilde woningmarkt heeft, daalde die oppervlakte van 105 m² naar 85 m².

Ook ruimtelijk is er sprake van groei en krimp tegelijk. Een ‘kosmopolitische zone’ schuift langzaam maar zeker op vanuit het centrum naar omliggende wijken als De Pijp, Oost en Oud-West. Buurtwinkels, de bakker en de slager worden er gestaag vervangen door winkels en horecazaken die zich richten op een trendy, welvarend en vaak ook jong en internationaal publiek. Niet toevallig zijn dit ook de wijken met het grootste aanbod aan Airbnb-adressen in de stad. De kans is veel groter dat een Airbnb-toerist in Amsterdam terechtkomt in een wijk die buiten het centrum ligt dan in het centrum zelf. Een goed voorbeeld is de Kinkerstraat in het stadsdeel West, in de volksmond nog vaak Oud-West genoemd. Van oudsher is het een wat volkse winkelstraat, die niet alleen wordt bezocht door bewoners van de omliggende buurt maar ook klanten trekt van de andere kant van de ring, het deel van de stad dat nu Nieuw-West heet. In de afgelopen jaren is er veel veranderd. Nieuwe burgerrestaurants prijzen hun menu van de dag in het Engels aan op klapborden op het trottoir. De kapper heet er barbershop of hairstylist (men €45, women €50). Naast de Chinese massagesalon, die er al sinds mensenheugenis zit, is de flagship store van een hockeymerk neergestreken. 

Je haalt de nieuwe zaken er gemakkelijk uit. Het is een bepaald soort vormgeving en beeldtaal: spaarzaam en stijlvol ingericht met veel zwart en wit, of juist een stoere uitstraling met houten gevels en gouden letters op de ramen. Cosmopolitan chic. Ook de nieuwe tattooshop en frietzaak, met homemade 100% organic fries, zijn van het gestileerde soort. Naast koffieketens als Coffee Company en Bagels & Beans is er ook nog ruimte voor een Italiaanse koffiezaak die in Rome of Napels niet zou misstaan. Een belangrijke aanjager van de vernieuwing in de Kinkerstraat was de opening in 2014 van De Hallen, de voormalige tramremise die snel uitgroeide tot een van de culturele hot spots van Amsterdam. Vanaf dat moment ging het hard. Niet alleen met de komst van nieuwe winkels en horeca, het werd ook drukker en internationaler. Op straat en op de terrasjes van de koffieketens is Engels steeds vaker de voertaal. In de avond slaat de sfeer om, als de straat verandert in een racebaan voor maaltijdbezorgers.

Temidden van die vernieuwde Kinkerstraat is er nog altijd genoeg over van de oude Kinkerstraat: de geldtransferwinkels en kledingreparateurs, de sieraden- en bruidsmodezaken met een Turkse of Marokkaanse klantenkring. Er is de Ten Katemarkt, waar aan het eind van de dag de ‘mooie aardebeien’ luidkeels worden aangeprezen. En er zijn de ketens die je in elke Nederlandse winkelstraat kunt aantreffen, zoals Action, Blokker en Kruidvat. Het is een mix van volks en trendy, van betaalbaar en prijzig. Nog lang geen 9 straatjes in de grachtengordel, waar tussen de galeries en designwinkels nauwelijks nog een bruinbrood te koop is. Het is ook nog ver verwijderd van het meest toeristische deel van de binnenstad, waar de vertoeristing – met als getuigen  quasi-antieke kaaswinkels en eettenten met Nutellapotten in de etalage als lokkertje - heeft geleid tot de maatregel om nieuwe op toeristen gerichte winkels te verbieden. Maar het is ook een momentopname. De vraag is hoe het verdergaat met de straat als de prijzen van winkelvastgoed blijven stijgen en een wijk als Oud-West nog meer dan nu een voortzetting wordt van de binnenstad. Dat ook een markt geen garantie meer is voor buurtbinding en lage prijzen, laat de Albert Cuypmarkt in De Pijp zien. Daar is de oorspronkelijke koopwaar steeds meer ingeruild voor authentic Dutch stroopwaffles en I love Amsterdam-hoodies.




Hoe snel de verandering kan gaan, bewijst de Postjesweg, die in het verlengde van de Kinkerstraat ligt. Dat was altijd een nóg volksere, zeg maar gerust onooglijke winkelstraat waar je alleen kwam als je er echt moest zijn. In 2016 werden daar 26 winkelpanden verkocht aan een vastgoedbelegger, waarna de hele straat werd vernieuwd. Het heeft geleid tot een vorm van patsboem-gentrificatie. In één klap van de kledinghersteller en de spotgoedkope paprika’s naar de hippe kinderkledingwinkel en de concept store voor koffie en kunst tegelijk. Door de opwaardering van de Kinkerstraat en de Postjesweg is een winkellint van de grachtengordel tot aan de ringweg A10 ontstaan. Shoppers kunnen nu letterlijk de halve stad doorkruisen. Helemaal aan het eind, stuit het winkellint op het Rembrandtpark. Voorbij de ijswinkel met handcrafted  popsicles en het terras van restaurant BarTack met quick breakfast ligt, een beetje verscholen om de hoek, de ‘Huiskamer van Rembrandt’. Het is een knusse en gezinsvriendelijke oase met speelplekken en uitzicht op het park, deels mogelijk gemaakt door crowdfunding onder buurtbewoners. Het laat zien dat gentrificatie kan zorgen voor nieuwe ontmoetingsplekken. Maar wel met prijzen die niet voor iedereen zijn weggelegd: negen en een halve euro voor een werkontbijt met wifi, vier euro voor een schaaltje vers fruit voor de kinderen. Op de achtergrond klinkt het zachte geruis van de ringweg, waarachter het andere, nog grotendeels niet gegentrificeerde Amsterdam ligt. 

Het beeld van Amsterdam als een welvarende en kosmopolitische stad is in de afgelopen jaren steeds sterker geworden. Veranderende buurten heten in de media en op makelaarssites al snel ‘opkomend’ of ‘bruisend’. De verleiding is groot om het oordeel over Amsterdam en ‘de Amsterdammers’ helemaal te laten bepalen door de snelle en zichtbare veranderingen in de stad: duur, trendy en losgezongen van de rest van Nederland. Er gaat geen dag voorbij of de hoofdstad wordt getypeerd, soms grappend en soms venijnig, als elitair en verhipt. Zie de ‘witte wijn drinkende Amsterdamse elite’ waarover premier Mark Rutte eerder dit jaar sprak, toen het over de kosten van de energietransitie ging. De suggestie was, zoals vaker, dat Amsterdammers geen benul hebben van de zorgen van gewone mensen in de rest van het land. Maar als je nuchter naar de cijfers kijkt, blijken de meeste Amsterdammers helemaal niet zo welvarend. In het stadsdeel West, waarin Kinkerstraat en Postjesweg liggen, bestaat nog altijd zo’n 40% van het huizenbestand uit, meestal bescheiden, sociale huurwoningen. Nog eens 31% is een particuliere huurwoning en slechts 29% een koopwoning die door de eigenaar wordt bewoond. Het gestandaardiseerde huishoudinkomen, een betere maat voor welvaart dan het gemiddelde inkomen, lag in 2015  in de Kinkerbuurt op 85,6% van dat in heel Nederland. In het stadsdeel West was dat 94,2% en Amsterdam als geheel lag met 101,1% maar net boven het Nederlands gemiddelde.

In publicaties over gentrificatie ligt de focus vaak op displacement, de verdringing van oude bewoners door nieuwe bewoners. De voorbeelden komen uit New York, San Francisco of Londen, waar de oorspronkelijke buurtbewoners door onbetaalbare huren en huizenprijzen worden verjaagd. Het zijn indrukwekkende verhalen, maar ze zijn niet één-op-één vergelijkbaar met wat er in Nederlandse steden aan de hand is. Het kenmerk van Nederlandse steden is juist dat de meeste bewoners gewoon blijven waar ze zitten. Ze zijn dankzij de sociale huursector beschermd tegen al te grote huurstijgingen. En ook als ze geen sociale huurder zijn, is verhuizen vaak geen optie omdat betaalbare woningen overal in de omgeving schaars zijn. In een stad als Amsterdam zitten grote groepen bewoners eerder ‘vast’ dan dat ze met verdringing worden bedreigd. Fysieke verdringing is dan ook slechts één gevolg van gentrificatie. In gentrificatie-onderzoek is er ook sprake van indirecte verdringing, zoals resource displacement: een verlies van passende en betaalbare voorzieningen en van (potentiële) contacten of klanten in de buurt. Of cultural displacement, waarbij er een gevoel van ‘is dit mijn buurt nog wel?’ optreedt. Het zijn subtielere vormen van verdringing, die vaak pas na langere tijd zichtbaar worden. Ze lijken van toepassing op het groeiende Amsterdam: een prijzige, trendy, jonge en ook steeds vluchtiger stad die zijn vleugels spreidt, ook over wijken waar een groot deel van de bewoners niet rijk, jong, trendy of vluchtig is.



30 maart 2019

Buurtboekenkasten en boekenkastbuurten



In de afgelopen jaren was de bakfiets het symbool voor een bepaald soort mens in een bepaald soort buurt. Een ‘bakfietsbuurt’ was een stadswijk met veel hoog opgeleide en milieubewuste jonge ouders. Was, want inmiddels zijn steeds meer buurten een bakfietsbuurt geworden. Het bijzondere is eraf, de bakfiets is gewoon massaal ontdekt als een handig vervoermiddel. Het linkse imago blijkt niet (meer) te kloppen: jonge ouders die VVD stemmen hebben vaker een bakfiets dan GroenLinks-stemmende ouders.

Tijd voor nieuwe symbolen waarmee een buurt zich kan onderscheiden. Ik nomineer de buurtboekenkast. Al een paar jaar maak ik de wandeling naar een boekenkast een paar straten verderop. Hij staat een beetje verdekt opgesteld op een speelpleintje. Een open houten kast waarin de boeken staan blootgesteld aan regen en wind (op het Zuiden, dat gelukkig wel). Het mooie eraan is dat er geen vooraf vastgestelde regels zijn. Die kast staat er gewoon en je moet als bewoner zelf bedenken hoe je ermee omgaat. Moet je een boek na lezing weer terugzetten, zoals in een bibliotheek? Wel zo aardig als je het echt goed vond, want dan kan een ander er ook van genieten. Maar het is ook weer niet logisch om dat met elk boek te doen, want dan blijft de inhoud van de kast steeds hetzelfde. Voor mezelf houd ik de regel aan dat er voor elk mee naar huis genomen boek iets van hetzelfde kaliber en genre in de kast gaat. Een roman voor een roman, een thriller voor een thriller, Engelstalig voor Engelstalig.

Een buurtboekenkast brengt twee dingen samen. Hij laat zien dat buurtbewoners zelf een voorziening draaiende kunnen houden. Daarnaast is het, anders dan commerciële platforms als AirBnb en Uber, écht een vorm van deel-economie. En het werkt. Elke keer als ik langs ga, zo eens in de maand, is de inhoud ververst. Tussen de pakweg honderd boeken zit bijna altijd wel een parel. Ik vond er het verstilde Meisje in het veen van Koos van Zomeren. Naar de overkant van de nacht van Jan van Mersbergen, een ontroerende carnavalsroman met dronken verteller. Boeiende romans van schrijvers die ik nog niet kende, zoals Brazzaville Beach van William Boyd, waarin de machtsstrijd binnen een groep biologen wordt gespiegeld aan die van de chimpansees die ze bestuderen. En natuurlijk heb je ook mensen die de kast gebruiken om af te komen van WordPerfect voor beginners of de Wijngids 1993.

Een bij-effect is dat ik boeken op een nieuwe manier ben gaan waarderen. In de buurtboekenkast doet het er veel minder toe of een boek of schrijver actueel is. Je hoeft je nooit met lichte tegenzin door een roman heen te worstelen waaraan je twintig euro hebt uitgegeven omdat hij overal werd gehyped. Als een boek niet bevalt, breng je het gewoon terug. Een ander voordeel is dat je eigen boekenkast lekker opruimt. Van mijn Stephen Kings heb ik alleen de tijdreisroman 11.22.63 laten staan, de thrillers konden wel weg. Zo blijft alleen het essentiële over, je eigen canon van de literatuur.

Of het een typisch stedelijk fenomeen is, weet ik niet zeker. Googlen op ‘buurtboekenkast’ laat zien dat er ook aardig wat zijn in kleine kernen, en dat de term zowel wordt gebruikt voor boekenkasten in de open lucht als voor ruilboekenkasten in buurthuizen of wijkgebouwen. Dat er nog maar veel buurtboekenkasten bij mogen komen, net zo lang tot elke buurt een boekenkastbuurt is. Of de boekenwereld er ook zo over denkt, is natuurlijk weer een andere vraag.

4 december 2018

Proud to use local products


Als je door de Kinkerstraat loopt, de lange winkelstraat die vanuit de binnenstad dwars door Amsterdam-West snijdt, kun je met gemak zes of zeven verschillende talen opvangen. Aan het ene uiteinde van de straat klinkt soms nasaal Portugees, het gevolg van een clustertje Braziliaanse winkels en horeca. Af en toe hoor je nog Turks of Arabisch, of Nederlands met Amsterdamse tongval, want ondanks de toenemende verhipping heeft de straat haar volks-multiculturele karakter nog niet verloren. Geldtransferwinkels, kledingherstellers en massagesalons staan gebroederlijk naast de Action, de Blokker en het Kruidvat. Naarmate je dichterbij het centrum komt, neemt de kans toe op Frans, Spaans of Italiaans van toeristen.

Er zijn ook dagen waarop Engels de meest gehoorde taal is. Soms met een Amerikaans of Brits accent, maar vaker het internationale Engels dat in gemengde gezelschappen als voertaal dient. Het cliché dat Nederlanders steenkolenengels spreken, gaat in Amsterdam al lang niet meer op. Wat eerder opvalt, is hoe belachelijk goed het Engels van veel jonge Nederlanders is; je moet je best doen om nog een spoortje polderaccent te traceren. Steeds meer restaurants en winkels houden het bij Engels op de krijtborden: ‘We are proud to use local products’. 

Het is vooral hard gegaan sinds de opening in 2014 van De Hallen, de oude tramremise die is verbouwd tot cultureel centrum. Vanaf dat moment is dit deel van Oud-West een verlengstuk van de binnenstad geworden. Zo voelt het ook steeds sterker. Bij de Albert Heijn in de buurt staan plukjes jonge toeristen bij de kassa met kant-en-klaar sandwiches, vertwijfeld kijkend bij de vraag van de kassière of ze een bonuskaart hebben. Er werken Poolse vakkenvullers die je in het Engels moet aanspreken om de weg naar een product te vragen. (Ik was zo verrast dat ik spontaan begon te hakkelen op zoek naar de vertaling van ‘kersen op sap’).

En dan is er natuurlijk AirBnB. In mijn straat in de Baarsjes, een buurt even voorbij de Kinkerstraat, zijn voormalige sociale huurwoningen verkocht door woningcorporaties en met flinke winst doorverkocht (denk aan prijzen van twee-en-halve ton voor 50 vierkante meter, met dakterras mag je er nog een halve ton bijdoen). Daarin mag de eigenaar twee maanden per jaar ‘hotelletje spelen’, al lijkt niemand te controleren of twee maanden ook daadwerkelijk twee maanden is. Het aantal rolkoffers op straat neemt gestaag toe. Onlangs raakte ik in gesprek met de hoofdbewoonster van zo’n pand (of ze de eigenaar is, heb ik niet gevraagd). Het bleek een jonge Roemeense te zijn; goede baan bij een internationaal bedrijf, veel op reis. Het was een leuk gesprek, te leuk om te verpesten met kritiek op AirBnB. Verder dan een wat plagerig "so you are the hotel manager", wat ze wel grappig scheen te vinden, kwam ik niet. Er klonk ook een verontschuldiging die ik vaker had gehoord: ‘Sorry, ik spreek wel een beetje Nederlands, maar ik heb nog geen tijd gehad om het goed te leren’. Intussen dacht ze waarschijnlijk hetzelfde als ik: we redden ons prima met Engels, dus why bother?

Dan hebben we het dus over een heel doorsnee woonbuurtje, dat amper vijftien jaar geleden nog op de lijst van achterstandswijken stond. Verderop, in het echte centrum, is de verengelsing al veel verder gevorderd. Zodra ik de Singelgracht oversteek, krijg ik het gevoel in een soort internationale zone terecht te komen, met steeds meer kroegen, restaurants en winkels waarin Engels de voertaal is. Opeens sta je voor een afweging die een paar jaar geleden nog ondenkbaar leek: zal ik hier Nederlands of Engels praten? Het doet een beetje denken aan Brussel, waar je als Nederlander voortdurend probeert te ontdekken, of te gokken, of een verkoper, serveerster of baliemedewerker Nederlands verstaat.



Het blijft niet bij horeca en winkels. Bij de bezetting in 2015 van het Bungehuis, een gebouw van de Universiteit van Amsterdam, werden de studenten (op hun verzoek) in het Engels toegesproken door burgemeester Eberhard van der Laan. Tijdens de laatste gemeenteraadsverkiezingen voerde de VVD campagne met If you love Amsterdam, vote VVD. Uitgebreid werden de standpunten in het Engels toegelicht op de website, met een nadruk op zaken als internationale scholen en een safe and clean city. Over immigratie en integratie, toch altijd belangrijke speerpunten van de rechts-liberalen, werd opvallend genoeg niets gezegd. Amsterdam is de enige stad op het vasteland van Europa waar je het redt met alleen Engels, zegt horeca-ondernemer Yossi Eliyahoo in een interview in Het Parool dit najaar. De Israeliër, die tien jaar geleden begon in de stad en elf restaurants heeft, verklaart dat hij 'wat woorden' Nederlands kent.

Je kunt het gebruik van Engels gemakkelijk afdoen als iets wat nu eenmaal bij een mini-wereldstad als Amsterdam hoort, iets wat er altijd al is geweest. Maar wat nu als dit iets anders is? Soms gaan ontwikkelingen zo snel dat je nauwelijks doorhebt wat er precies aan de hand is. Dit zou het begin van een nieuw taalgebied kunnen zijn: een zone, het centrum van Amsterdam met uitlopers, waarin Engels gestaag terrein verovert op Nederlands, net zolang tot het één van de voertalen in dat gebied wordt.

Moeten we er iets aan doen? De vraag is volgens mij eerder of we er iets aan kunnen doen. Natuurlijk moet je de woningmarkt reguleren, om te voorkomen dat de stad verandert in een beleggersparadijs vol tijdelijke woningen voor buitenlandse gasten. Je kunt regels bedenken die de verengelsing in het hoger onderwijs aan banden legt, zodat Nederlands behouden blijft als wetenschapstaal. Maar het zal niet voorkomen dat Engelstaligheid in de stad een permanent karakter krijgt. De immigratie van ‘westerse allochtonen', al jaren de snelst groeiende groep in de stad, zal doorgaan. Steeds meer mensen zullen besluiten dat Engels de meest logische taal is om te gebruiken, omdat dat de taal is waarin je jezelf het best verstaanbaar kunt maken. Engels is de gemakkelijkste weg, omdat het voor Nederlanders  eenvoudiger is hun Engels te verbeteren dan voor Engels sprekende niet-Nederlanders om Nederlands te leren, zeker als ze hier tijdelijk zijn. 

Regulering zal altijd achter de feiten aanhollen. Wat nu nog een tegemoetkoming is aan Engelstalige ‘gasten’ in de stad, zal verschuiven naar tweetaligheid. Tot er een punt wordt bereikt waarop het Nederlands een tegemoetkoming zal zijn aan de slinkende groep die daaraan hecht. De achterblijvers. De natives. Dan krijgen we bordjes met ‘Hier wordt Nederlands gesproken’. Of een apart symbool daarvoor, als teken van uitmuntende service.

Overdreven toekomstbeeld? Zo’n vaart zal het niet lopen? Dat dachten veel Brusselaars vast ook toen hun stadgenoten het Vlaams begonnen in te ruilen voor praktisch en statusverhogend Frans.

23 augustus 2017

De burger als inspraak-aapje


Ik mag meedoen aan een wedstrijd. Op de website van het Amsterdamse stadsdeel West lees ik dat je als bewoner stemmen kunt verzamelen voor een plan in de buurt. Elke maand mag de bewoner met de meeste stemmen zijn of haar idee toelichten in een pitch tegenover het stadsdeelbestuur. Dan wordt het idee besproken en als het meezit misschien zelfs uitgevoerd. De Stem van West, heet het.

Nu hou ik best van een wedstrijdje, maar deze laat ik even aan me voorbijgaan. Dat meepraten heb ik al eens gedaan, zo'n twee jaar geleden. Er waren plannen voor een nieuwe inrichting van het Columbusplein. Die zouden, helemaal zoals het hoort, samen met de bewoners tot stand komen. Het begon ermee dat ik midden op het plein in gesprek raakte met een ontwerper, die uit zichzelf een opmerking maakte over de ‘versteendheid’ van het plein. Hé hé, deze snapt het, dacht ik. Het Columbusplein is een grote open ruimte midden in een woonwijk, die intensief wordt gebruikt als speel- en schoolplein. En het grote probleem daarvan is inderdaad die versteendheid. ‘Asfalt is ingezet als het verbindende component’, staat er op de website van het bureau dat het plein in 2007 ontwierp. Alsof ze er trots op zijn. Voor bewoners betekent het dat je ruim uitzicht hebt over een ‘openluchtsporthal’. In de zomer moet je kiezen tussen óf de ramen dichthouden óf het raam een stukje opendoen en daarbij het soms oorverdovende, weerkaatsende geluid van schreeuwende kinderen en jongeren in de huiskamer binnenlaten.

Of het plein als speelplek is geslaagd, daar kun je ook over twijfelen. Wisten de ontwerpers, en hun opdrachtgevers, echt niet dat kinderen fijner spelen op een gevariëerde speelplek met natuurlijke en ‘zachte’ materialen dan op een grijze vlakte met wat speeltoestellen. En uiteraard met het verplichte voetbalgedeelte, waarop overigens zelden in een partijvorm wordt gevoetbald. (In de Volkskrant stond afgelopen zomer een goed artikel over waarom groene speelplekken beter zijn dan grijze). Hadden ze nog nooit gehoord van zaken als akoestiek, hittestress en wateropvang?

Blijkbaar begreep het stadsdeel ook dat er iets moest veranderen. Er kwam een plan voor een nieuwe inrichting, met meer groen. Wat mij betreft ging het nog niet ver genoeg, maar het was tenminste een begin. Eind 2015 bezocht ik de inspraakavond waarop bewoners hun mening konden geven over het plan. Slechts een handvol pleinbewoners was komen opdagen. Was het desinteresse, of was er te weinig aandacht gegeven aan de bijeenkomst? Je moet het ook maar net willen om een vrije avond urenlang in een niet zo heel gezellig wijkgebouwtje door te brengen.

Daarna: niets. Nu al bijna twee jaar. Ja, een rijtje struiken van een halve meter hoog. Het project is vertraagd, maar staat nog steeds in de planning, leert navraag bij het stadsdeel. Maar intussen zijn we dus alweer aanbeland bij het volgende inspraakplan: je idee op een website zetten en dan stemmen verzamelen om het te mogen pitchen in de vergadering van het stadsdeel.

De gewone burger was nog nooit zo geliefd. In woord, tenminste. Het ideaalbeeld dat vaak wordt geschetst, is dat van een samenleving vol actieve en betrokken burgers en een overheid die alleen nog hoeft te ‘faciliteren’. Maar de praktijk is vaak anders. In Binnenlands Bestuur verscheen een ontnuchterende column van Radboud Engbersen, projectleider bij kennisorganisatie Platform31. Bij veel zogenaamde bewonersinitiatieven blijkt de rol van lokale ambtenaren onmisbaar. Soms is het niet helder bij wie het initiatief nu precies lag. Burgers laten meebetalen aan plannen blijkt meestal ook al een illusie. ‘De doe-het-zelf-beweging is veel meer een ambtenarenbeweging dan wordt gesuggereerd’, schrijft Engbersen, ‘laten we daar eerlijk voor uitkomen.’ 

Professionals en bewoners hebben elkaar nodig, maar in het contact tussen die twee is er nogal wat ruis op de lijn. Mijn advies aan lokale overheden: neem bewoners serieus. Behandel ze niet als inspraak-aapjes die voor de goede sier ‘mogen’ meepraten, al dan niet in de vorm van wedstrijdjes. Kijk verder dan je eigen projecten, beleidsagenda en de formele bijeenkomsten die daarbij horen. Daar bereik je misschien een kleine voorhoede mee, maar de meeste mensen hebben er geen tijd voor of zin in. Probeer liever op een laagdrempelige manier met bewoners in contact te komen. Ga naar ze toe, ook naar de grote groep die uit zichzelf niet zo snel van zich laat horen. Beter midden op straat met koffie en thee dan weggestopt in een apart project op internet.

Zo ingewikkeld hoeft dat toch niet te zijn?



26 februari 2017

Waar zijn 'de wijken' gebleven?

Elke verkiezingsstrijd eindigt in kluitjesvoetbal. Er is een overkoepelend thema dat in de media en tijdens debatten steeds wordt benadrukt, waardoor het een zelfversterkend effect krijgt. Bij de landelijke verkiezingen van mei 2002 was het thema 'de mensen in de wijken'. Eerder dat jaar had Leefbaar Rotterdam de tweede stad van het land veroverd (Andere Tijden maakte er onlangs een uitzending over). Integratie en immigratie waren onderwerp van het politieke debat geworden. Het gesprek erover was te lang gevoerd met gemakzuchtige vergelijkingen van het type 'Nederland is altijd een immigratieland geweest, dus er is niets bijzonders aan de hand'. De plek waar de multiculturele samenleving het meest zichtbaar was, waren ‘de wijken’. Elke politicus had het er over. Ze hoefden er niet eens bij te vertellen welke wijken ze bedoelden. Iedereen wist dat het ging over de delen van de grote steden die het meest waren veranderd door immigratie. Zo was het ook een soort codetaal; met 'de problemen in de wijken' of 'de pijn van mensen die hun buurt zien veranderen' werd eigenlijk gezegd dat er iets moest worden gedaan aan de achterblijvende integratie en aan de instroom van kansarme immigranten.

In de jaren daarna werden de immigratie- en integratie-eisen aangescherpt. Er kwam een minister voor Wonen & Wijken. Er werd flink gebouwd, waarbij het hielp dat het vaak ging om ruim opgezette na-oorlogse wijken. Er kwamen appartementen met koopwoningen, of juist laagbouw met tuinen. Versleten scholen en buurthuizen werden vervangen door frisse multifunctionele gebouwen. Anonieme hondenveldjes werden echte parken. Er kwamen meer levendige straten, met winkels en een echt trottoir.

Het ging beter met de wijken. Dat kon je niet alleen zien, het werd ook bevestigd door onderzoek. Zoals in een rapport van het SCP uit 2013 dat op belangrijke punten vooruitgang liet zien: minder verloedering, minder criminaliteit, minder concentratie van armoede. Maar het was blijkbaar nog te vroeg om te juichen. De onderzoekers waren zo vriendelijk om de mopperaars te hulp te schieten: er was wel vooruitgang, maar het kon niet worden bewezen dat die was te danken aan het beleid. Dat had 'geen meetbaar gunstig effect' gehad. Een nogal geforceerde redenering, maar het stelde iedereen in staat om tobberig te blijven doen over de wijken, en dat gebeurde dus ook. Een simpel bezoek aan Nieuw-West (Amsterdam), Kanaleneiland (Utrecht), Pendrecht-Zuidwijk (Rotterdam) of Malburgen (Arnhem) had iets anders geleerd. Of een praatje met bewoners. Onderzoekers of journalisten die met buitenlandse gasten op stap gaan in een van onze wijken, krijgen steevast als reactie: 'noemen jullie dit een probleemwijk?'


Amsterdam Nieuw-West

We zijn vijftien jaar verder en de problemen in de wijken lijken spoorloos verdwenen. Heel af en toe kom je de term Vogelaarwijk nog tegen in een artikel. In het politieke debat worden ze zelden nog genoemd. Het thema van 2017 is identiteit. De geografische focus ligt niet langer op de grote steden, maar op het 'middenland' daaromheen. Nieuwegein, Purmerend, Ridderkerk, Etten-Leur; gewone plaatsen, niet te klein en niet te groot, waar de gewone burger woont. Er zijn opvallend veel gemeenten bij waar de proteststem hoog scoort. Geograaf Josse de Voogd schreef een uiterst leesbare analyse op Sociale Vraagstukken over de electorale geografie van de PVV.

Je kunt het een vooruitgang noemen ten opzichte van 2002, want het middenland is bij elkaar veel groter dan de wijken in de grote steden. Maar de focus is niet alleen geografisch ruimer geworden, hij is ook diffuser. Bij de wijken ging het nog over concrete problemen, van criminaliteit tot mensen die hun buren niet meer konden verstaan. De identiteitsdiscussie is veel vager omdat identiteit een vaag begrip is. Iedereen kan erop projecteren wat hij wil; zie de vele portretjes in de media van mensen die 'de politiek' niet meer vertrouwen en daar ieder hun eigen reden bij hebben. Nog steeds hangt de multiculturele samenleving boven het debat. Maar waar de nadruk in 2002 nog lag op de confrontatie tussen oude en nieuwe Nederlanders, ligt die nu op het 'gevoel' dat mensen hebben. Dat van bewoners die protesteren tegen de komst van een AZC of tegen een handjevol woningen voor statushouders. Van mensen die hun kennis over asielzoekers, moslims en andere 'anderen' niet uit de eerste hand hebben, maar uit tweets of Facebookberichten, al dan niet uit het buitenland, al dan niet fake.

Over de wijken hoor je nooit meer iets. Goed nieuws is geen nieuws. Partijen zouden het goede nieuws best kunnen benoemen. De VVD zou de nadruk kunnen leggen op de dalende criminaliteitscijfers, het terugdringen van de kansarme immigratie en de komst van meer koopwoningen. De PvdA op het verbeteren van de leefbaarheid en op het feit dat het mengen grotendeels is gelukt zonder dat het ten koste ging van de sociale woningbouw. Maar dat doen ze niet. Want dan moeten ze het hebben over de grote steden, en over dingen die relatief goed gaan. En dat zijn niet de spelregels bij het kluitjesvoetbal van 2017.

13 december 2016

Pas op voor kloofdenken

Asterix en de Broedertwist (1980)

Geografie maakt een sterke beurt op het moment. Overal in kranten en op websites verschijnen kaarten van verkiezingsuitslagen. Allemaal dankzij de kloof. Eerst was er de Brexit, toen Trump en daarna de Oostenrijkse presidentsverkiezingen. Steeds laten ze hetzelfde patroon zien: een enorm verschil tussen de steden en het landelijk gebied. Londenaren zagen op 24 juni tot hun afgrijzen dat 'de rest' hun land uit de Europese Unie had gestemd. In de Verenigde Staten won Hillary Clinton alle grote steden, maar werd Donald Trump president omdat hij toesloeg in de gebieden daarbuiten en zijn stemmen gunstiger verdeelde over het land. In Oostenrijk konden de inwoners van Wenen, Graz en Salzburg ternauwernood voorkomen dat de rechts-nationalistische Norbert Hofer president werd.

De analyse is steeds hetzelfde: in de stad wonen de rijken, de jongeren, de hoger opgeleiden en de immigranten. Daar geloven ze nog in internationalisering, in Europa en in de multiculturele samenleving. Buiten de stad heerst het onbehagen, daar zijn steeds meer mensen die het geloof in de politiek zijn kwijtgeraakt. 'De inwoners van de periferie weten onbewust dat ze niet nuttig zijn', zegt de Franse geograaf Jacques Lévy in een interview in de Volkskrant op 10 december. Marine Le Pen heeft weinig aanhang in de Franse steden, maar zou dankzij de provincie toch heel goed de volgende president kunnen worden.

Het is allemaal boeiend voor iedereen die is geïnteresseerd in geografie. Maar er wringt ook iets. Ten eerste is de simpele tweedeling stad/land juist voor Nederland niet erg geschikt. Ook bij ons zijn de steden gemiddeld linkser en kosmopolitischer. Maar de PVV, de partij die een groot deel van de proteststem vertegenwoordigt, scoorde bij vorige verkiezingen hoog in steden als Almere, Rotterdam, Heerlen en Zaanstad. Niet echt wat je noemt landelijk gebied. Het echte landelijk gebied is bij ons nog vooral in handen van traditionele partijen. Bijvoorbeeld het CDA in de kleinere gemeenten in Overijssel, de VVD in Noord-Hollandse poldergemeenten en de PvdA in Drenthe. En dan is er nog de bible belt, waar SGP en ChristenUnie een buffer vormen tegen electorale verrassingen.

Er zit hoe dan ook iets raars in die tweedeling tussen stad en periferie. Zijn we alweer vergeten hoe we bij de vorige kiezersopstand, in 2002, nog vooral spraken over 'de problemen in de wijken'? Criminaliteit, immigratie en integratie waren de onderwerpen. Pim Fortuyn veroverde Rotterdam, toch ook een grote stad. En nu hebben we het ineens, geïnspireerd door het buitenland, over bloeiende en zelfs 'elitaire' steden waar alles goed gaat en een ommeland dat knarst van de ontevredenheid. Een deel van de verklaring kan zijn dat het écht beter gaat met de steden dan vijftien jaar geleden, onder meer dankzij investeringen in nieuwbouw en het terugdringen van kansarme immigratie. Maar het blijft wel een opvallend grote omslag: van boze burgers in de wijken naar boze burgers in de periferie. Het toont aan dat onvrede niet gemakkelijk geografisch valt te vertalen, en ook dat je moet oppassen voor het denken in simpele tweedelingen.

Er is nog een ander bezwaar tegen het kloofdenken. Als politiek wordt teruggebracht tot een clash tussen gebieden en groeperingen, gaat het nauwelijks nog over de politiek zelf. Je kunt vaststellen dat Trump of Wilders veel aanhang hebben onder blanke, laagopgeleide inwoners in relatief arme regio's. Maar dan weet je nog niets over hun politieke opvattingen. Je kunt iemand toewerpen: 'Natuurlijk ben jij voor duurzame energie, want je bent hoogopgeleid en woont in een grote stad’. Maar dan heb je geen discussie over duurzame energie, je bent alleen etiketjes aan het plakken. Daar zit het probleem met het kloofdenken. Het ontneemt het zicht op de inhoud en haalt de verantwoordelijkheid weg bij mensen voor hun ideeën. Maar niemand is het slachtoffer van zijn woonplaats of groep. Vierkante kilometers stemmen niet, net zo min als groepen. Het kloofdenken doet geen recht aan de verscheidenheid aan politieke ideeën; zelfs in het fanatiekste PVV-buurtje woont een GroenLinkser, en andersom. Soms loopt de kloof zelfs dwars door mensen heen. Zie de portretjes bij elke verkiezingen van zwevende kiezers die aarzelen tussen soms totaal verschillende partijen als de SP en de VVD.

Het grootste kloof-onderwerp blijft de multiculturele samenleving. Nieuwsuur bracht eind november een reportage uit Steenbergen, de Brabantse gemeente waar eerder een raadsvergadering over de komst van asielzoekers werd verstoord. We zien een vinex-achtige wijk die overal in Nederland had kunnen staan. Ernaast een groot braakliggend terrein, waarop veertig miniwoningen moeten komen waarvan maximaal een derde voor statushouders. Verschillende omwonenden komen aan het woord. Sommigen zijn tegen ('Het is toch een ander soort mentaliteit'; 'Angst wil ik niet zeggen, maar geen fijn gevoel in de onderbuik.' ). Anderen zijn voor: ('Van mij mogen ze komen. Die mensen moeten ook ergens leven.'). 

Dan heeft de verslaggever het volgende gesprek met een vader bij de school, ook weer zo'n gloednieuw, intens keurig gebouwtje.
Verslaggever: 'Die mensen hebben een verblijfsvergunning, ze moeten toch ergens wonen?'
Man: 'Laat ze dan ergens anders naar toe brengen. Amsterdam of zo. Da's ver zat.'
Verslaggever: ‘Daar zitten ze ook.' (en dat klopt)
Man: ‘Ja, maar hier moeten ze in elk geval weg. Dat is duidelijk.'

Dit is hem dus in volle glorie. De kloof. Een boze - of is het bange? - burger die vindt dat de sobere huizen voor oorlogsvluchtelingen allemaal in de verre stad moeten worden gebouwd. Het is nuttig om te weten hoe zulke ideeën geografisch zijn verspreid en welke groepen mensen ze het vaakst hebben. Maar blijft het bij onderzoeken of mogen zulke opvattingen ook nog weersproken worden? Het risico bestaat, en je ziet het nu al gebeuren, dat extreme ideeën worden genormaliseerd als we ze alleen nog als geografische of sociologische patronen zien. Dat je woorden als xenofobie of racisme helemaal niet meer mag gebruiken, want dan ben je iemand die periferiebewoners of andere categorieën 'niet begrijpt'. Dan weten we alles over de kloof maar hebben we het politieke debat weggetoverd.

Afbeelding uit De Volkskrant, 10/12/2016

26 januari 2016

Spijtverhuizers

Ontregelend nieuws in Het Parool afgelopen weekend: het aantal huizenkopers dat Amsterdam verlaat, is al sinds 2010 gestaag aan het stijgen. In sommige randgemeenten is de helft van de nieuwe kopers Amsterdammer, in de populairste uitwijkplaats Amstelveen een derde. Makelaars uit Haarlem openen al kantoren in de hoofdstad om kopers te begeleiden naar Kennemerland, en ook Zaanstad en Weesp zitten in de lift. In alle tien onderzochte randgemeenten steeg vorig jaar het aandeel Amsterdammers onder de nieuwe woningkopers.

Het artikel lijkt wat te wringen met de vele juichverhalen waarin wordt verteld dat Amsterdam groeit als kool, dat de stad geliefder is dan ooit tevoren en dat 'kleiner wonen' de nieuwste trend is. Dus wat moeten we hier nu mee? Het zijn cijfers waar je verschillende kanten mee op kunt. Je kunt ze zien als een bewijs dat, ondanks de groeiende populariteit van de stad, veel mensen nog altijd de voorkeur geven aan een suburbane woonomgeving. Niks bijzonders aan de hand; die vertrekkers maken gewoon de uitruil tussen prijs, woninggrootte en locatie die kopers altijd maken. Het traditionele overloopmodel, waarin Amstelveen, Haarlem en Zaanstad dan nu de plaats hebben ingenomen van oudere overloopgemeenten als Almere en Purmerend.

Je kunt de toenemende stadsvlucht ook zien als een bewijs dat de woningprijzen in Amsterdam zo uit de hand zijn gelopen dat steeds meer gezinnen de stad worden uitgedrukt. In het Parool-artikel zegt een makelaar: 'Maar het allerliefst willen mensen toch in Amsterdam blijven wonen. Dat horen we toch wel erg vaak.' Een quote van een andere makelaar maakt duidelijk dat 'in Amsterdam' voor velen nog steeds 'binnen de ring' betekent: 'Besluiten Amsterdammers buiten de Ring te kijken, dan blijken IJburg, Nieuw-West en Zuidoost vaak geen optie, en willen kopers liever naar een plaats als Haarlem.' 

Blijkbaar zijn er dus veel spijtverhuizers die met pijn in het hart vertrekken en is tegelijkertijd de helft van de stad, als je Noord rekent tot de wijken buiten de ring, geen optie voor ze. Daarom is deze uittocht geen business as usual. Dit gaat niet alleen over huizenprijzen, vierkante meters en de afstand tot de stad. Dit gaat ook over emoties en verwachtingen, over het beeld dat mensen hebben van de stad en van de afzonderlijke wijken.

Door welke gevoelens laten huizenzoekers zich leiden? Waarom willen zoveel mensen – ondanks de vele nieuwbouw, ondanks de lagere prijzen – niet in wijken als Nieuw-West, Zuidoost, IJburg en Noord wonen? Wat kan de stad doen om ze te behouden? Kan bijvoorbeeld het gemis van een tuin worden opgevangen met grotere buitenruimtes, dakterrassen of speelplekken in de buurt? Welke rol speelt de angst voor 'zwarte scholen'? Zouden meer huizenkopers overwegen om in de stad te blijven als ze de zekerheid hebben dat ze zelf de school van hun kinderen mogen uitkiezen? Naar dat soort vragen zou ik wel eens een goed onderzoek willen zien.  

Kolenkitbuurt, Nieuw-West. Huizenkopers kiezen liever voor randgemeenten dan voor Amsterdamse wijken buiten de ring

16 december 2015

Weg met hip

December is de maand van de lijstjes en de verkiezingen. Zoals die van het meest irritante woord van het jaar. Ik hoef er geen seconde over na te denken. Van mij mag 'hip' niet mee naar 2016. Je komt het al jaren overal tegen, maar de laatste tijd kun je echt geen reiskatern of zaterdagbijlage meer openslaan of de hippe winkeltjes en de hippe restaurantjes vliegen je om de oren. Die liggen dan uiteraard in hippe buurten van hippe steden. Zo schijnt bijvoorbeeld Rotterdam in het afgelopen jaar 'hipper dan Amsterdam' te zijn geworden. Een woordje dat oorspronkelijk is bedoeld om iets positiefs en unieks aan te duiden, is zo uitgegroeid tot een nietszeggend cliché. Wat denk je, als je die advertorial van Den Bosch ziet of dat reisartikel over Bilbao, zouden ze daar ook hippe winkeltjes en hippe buurtjes hebben? Ja hoor, daar ook. Pak je koffers!


Echt nieuw is het woord niet. In de oude betekenis wordt het vooral voor mensen gebruikt. Denk aan de hit Je bent niet hip van Patricia Paay uit 1967 (Je bent niet hip, je bent niet vlot. Je ouwe fiets die is altijd kapot. Je bent niet rijk, je bent niet knap. Je drinkt geen bier maar tomatensap). Pas later is het aan plaatsen verbonden geraakt. Hip is geografie geworden, het woord dat duidelijk maakt dat een plek geliefd is bij een bepaald soort publiek: jong, dynamisch en cultureel verantwoord, of mensen die dat zouden willen zijn.

Hip is ook onlosmakelijk verbonden met het verschijnsel gentrification. De Volkskrant had daar afgelopen zomer een zaterdagse special over, een prima inleiding voor lezers die het nog niet kenden. Alle aspecten van gentrification kwamen aan bod, van de sterke aantrekkingskracht van de stad op jonge hoger opgeleiden tot de overspannen woningmarkt die daarvan het gevolg is. Misschien wel het meest opvallende stuk in de special was van verslaggever Julien Althuisius. In Amsterdam gebeurt van alles om mensen zoals hij te plezieren, schrijft hij. Maar toch heeft hij er genoeg van. Hij heeft nu al heimwee naar de rauwheid zoals hij die elf jaar geleden nog aantrof toen hij als student in de stad kwam wonen. Een rauwheid die in steeds meer buurten plaatsmaakt voor een opvallend eenvormige verhipping, met winkeltjes die allemaal op dezelfde manier leuk en authentiek willen zijn: 'In Amsterdam zijn bijna geen wijken meer over waar je koffie met melk nog koffie met melk noemt en mensen niet teleurgesteld met hun hoofd schudden als je een uitsmijter op wit brood bestelt.'

Zie daar de tragiek van hip. Hip is goed, hebben we elkaar voortdurend verteld. Maar nu hip heeft gewonnen, en in Amsterdam zelfs bijna de hele stad heeft veroverd, gaan uitgerekend de hippe mensen klagen dat alles te hip is geworden. Dit gaat om meer dan  de vormgeving of het aanbod van restaurants en winkels. Dat is maar buitenkant. Dit gaat om iets anders: eigenlijk willen we helemaal geen reservaten met mensen die precies op ons lijken. We willen geen eenvormigheid maar diversiteit. We willen plekken waar het goed toeven is voor iedereen, niet voor een dominante groep met een zelf opgelegde smaak. We missen alleen nog een naam voor dat soort plekken, een term die dezelfde zeggingskracht heeft als 'hip' ooit had. Eerst maar eens dat woordje bij het klein vuil zetten.

20 oktober 2015

Yoga in de vinex

Startende bedrijfjes zitten vaak op onverwachte plekken, die oorspronkelijk nooit waren bedoeld om als bedrijfsruimte te dienen. Zoals op zolders, in garages en in andere extra ruimtes van woningen in vinexwijken. Dat is de conclusie uit een onderzoek van het Utrechtse stedebouwkundig bureau Nieuwe Gracht naar de opkomst van kleinschalige bedrijvigheid in stedelijke gebieden. Verrassend? Of toch ook logisch? De vinex is de thuishaven van de werkende middenklasse. Er is geld, er is kennis. Er zijn bewoners die, al dan niet gedwongen, hun vaste baan verlaten om als zelfstandige verder te gaan. Er zijn vrije uren, mede dankzij het anderhalfverdienersmodel waarin een partner full time werkt en de ander in deeltijd. Dat moet wel tot bedrijvigheid leiden, zeker in een tijdperk waarin je in een handomdraai een eigen webshop opzet.
Alleen jammer dat er aan de buitenkant nog zo weinig van te zien is. Het ontbreekt in vinexwijken aan wat in vrijwel elk ander soort woonomgeving heel normaal is. Geen zichtbare winkels of kantoren tussen de huizen, laat staan een groenteboer of bakker. Hoogstens een half verscholen bordje tussen de muurplanten waarop te zien is dat iemand een yoga- of adviespraktijk heeft. Het is een gevolg van de beslissing om alle bedrijvigheid in één winkelcentrum onder te brengen. Voor ontwikkelende partijen zijn de opbrengsten uit winkelvastgoed een vast onderdeel van het verdienmodel. Gemeenten zijn hierin meegegaan en hebben nauwkeurig vastgelegd dat er op andere plekken geen bedrijven bij mogen komen. Wonen en werken netjes van elkaar gescheiden; het doet denken aan de jaren vijftig.
Niet alle bewoners leggen zich daarbij neer. In Leidsche Rijn is een groep bewoners al enkele jaren bezig om een permanent marktplein te beginnen onder de naam Vinexmarkt. Het initiatief is ontstaan uit onvrede met het gebrek aan levendigheid en ontmoetingsplekken in de wijk. Een andere Leidsche-Rijnbewoonster beschrijft op haar blog hoe ze in haar wijk een rommelwinkeltje ontdekt waarin niets duurder is dan vijf euro. De verkoopster is er spontaan mee begonnen, zonder zich af te vragen of het mag. Het zet 'Vinexvrouwtje' aan tot de volgende overpeinzing:
‘In de Vinex is alles tot op de millimeter gepland. Elke struik, elke boom, krijgt eerst op papier een plekje voordat er echt iets in de grond wordt gestopt’ ...  ‘Niks onstaat zomaar. En als het wel zo is, is dat automatisch ‘tegen’ de regels, want het stond niet in het plan. Ik kan me er er nog steeds over verbazen dat je in een ‘vrij’ land zo weinig mag en dat iedereen zich daar ook zo gedwee bij neerlegt.’

Volgens mij bewijst het twee dingen. Ten eerste dat je geen verstokte vinexhater hoeft te zijn om kritiek te hebben op de manier waarop die wijken zijn gepland. Ten tweede dat nieuwe wijken altijd minder 'af' zijn dan we denken. Je kunt ze ook zien als een plattegrond waarop de stedelijkheid nog moet beginnen en waar de tijd nog overheen moet gaan. Het wordt steeds duidelijker dat bewoners zelf willen bepalen hoe de toekomst van hun woonomgeving er uitziet. Maar in wat voor soort wijk wil de burger wonen? Grofweg zijn er op dit moment twee geluiden te horen. Het ene is dat de populariteit van typisch stedelijke woonmilieus verder zal toenemen. Jongeren zullen steeds meer naar de stad trekken om er te studeren en te werken. Ze blijven er wonen, ook nadat ze een gezin hebben gesticht. Daar staan geluiden tegenover die waarschuwen dat de behoefte aan grootstedelijk wonen niet moet worden overdreven omdat een grote meerderheid een voorkeur blijft houden voor een meer ‘burgerlijke’ groenstedelijke omgeving. Zie bijvoorbeeld de reactie van Friso de Zeeuw en Rink Drost op het PBL-onderzoek De Stad: Magneet, Roltrap en Spons.
Altijd bruikbaar als er twee standpunten tegenover elkaar staan, dat brengt scherpte in het debat. Maar je krijgt zo wel de indruk dat er maar twee mensentypen bestaan. Aan de ene kant de grotestadsbewoner die van koffietent naar vintageshop hopt en het helemaal niet erg vindt om midden in de stad een gezin te stichten zolang er maar parkeerruimte is voor de bakfiets. En aan de andere zou er dan een groenstedelijk type bestaan - laten we zeggen de Homo vinex - dat woont in een wijk waar je overdag een kanon kunt afschieten en tevreden inkopen doet in een sfeerloos, halfleeg winkelcentrum dat in 1996 aan de tekentafel is bedacht.
Een kloof door de bevolking tussen typische grootstadbewoners en groenstadbewoners? Ik geloof er eigenlijk niets van. Ik denk dat ook ‘vinexmensen’, voor zover die al bestaan, houden van diversiteit. En dat zichtbaar ondernemerschap in wijken veel belangrijker is dan we tien of twintig jaar geleden konden vermoeden. Ook in groenstedelijke wijken. Dat daar nog maar veel guerrillawinkeltjes, pop-upmarkten en praktijken-aan-huis mogen bijkomen. En dat ze maar flink de ruimte mogen krijgen, of nemen.


Winkelcentrum en geluidswal The Wall in Leidsche Rijn, Utrecht


23 september 2015

Wie redt de blunderende ontwerper?


Wonen aan een plein heeft zijn voordelen. Een ervan is dat je kunt vertellen dat je aan een plein woont. Bij het woord 'plein' denken mensen al gauw aan fonteinen, standbeelden, monumentale bomen en gietijzeren bankjes onder maanlicht. Maar niet elk plein is een Vrijthof of een Place des Vosges. Mijn eigen buurtplein bestaat uit een stenig voetbalveld, een stenige speeltuin en een kinderdagverblijf met een stenige peuterspeelplek. Er is ook wat groen: een bomenveldje, op steen. Tussen de huizen en het plein is nauwelijks beschutting, waardoor er een 'sporthal-effect' ontstaat waarin peutergegil of pubergeschreeuw met gemak tot in de huiskamer reikt. Nog maar acht jaar geleden kreeg het plein een uitgebreide vernieuwingsbeurt. Blijkbaar is die gedaan door ontwerpers die dol waren op steen, geen aandacht hadden voor zaken als akoestiek, hittevorming en wateropvang en waren vergeten dat het plein de voortuin is van ruim driehonderd omwonenden.

Zo'n twee jaar geleden zat er opeens een hoopvol bericht in de nieuwsbrief van het buurtteam. Er was weer een budget voor verbetering. Het signaal dat er iets niet helemaal deugde aan het plein - dat inmiddels door meerdere bewoners was afgegeven - was blijkbaar opgepikt. Het geld zou niet zomaar worden besteed, maar in samenspraak met de buurt. Nadere berichten zouden volgen. Met lange tussenpauzes druppelde het goede nieuws binnen. Het was een kwestie van geduld en wachten op de uitnodiging om met zijn allen te gaan brainstormen.

Vorige maand was het dan zo ver. Op een zonnige namiddag verzamelden bewoners en professionals zich midden op het plein met zelf meegebrachte drankjes en hapjes. De sfeer was gemoedelijk. In een informele setting kreeg groot en klein de kans om van zich te laten horen. Er was een flipover met kleurige stickers waarop alle ideeën werden verzameld: een fontein, een kinderboerderij, bloemperken die door de bewoners zelf konden worden onderhouden. Er liep een man rond - ik had hem nog nooit gezien - die beweerde dat hij uitgebreid onderzoek had gedaan naar de wensen van de buurtbewoners. Daar was uitgekomen, zei hij, dat ze mediterrane planten wilden, want die deden hen 'terugdenken aan thuis'. Een ontwerper van de gemeente hoorde iedereen geduldig aan. Alle suggesties waren welkom, maar hij moest ook vertellen dat er een beperkt budget was dat 'in principe' alleen voor vergroening was bedoeld.

We zeggen het allemaal en we lezen het overal: dit is het tijdperk van de mondige burger. Plannen maken doe je samen of je doet het niet. De almachtige ontwerper, architect of stedenbouwer is verleden tijd. Dat vind ik ook. Tegelijkertijd betrapte ik mezelf tijdens die plein-picknick op de gedachte: 'Begin nou maar gewoon, want straks zijn we weer twee jaar verder'.

Had een grotere rol voor de bewoners kunnen zorgen voor een beter ontwerp bij de eerdere vernieuwingsbeurt van het plein? Dat hangt er vanaf, want de ene vorm van participatie is de andere niet. Er zijn geslaagde voorbeelden van community planning waarbij bewoners vanaf het begin letterlijk aan de ontwerptafel zitten. Ze vragen om veel inzet van professionals en hebben de grootste kans van slagen in buurten met een sterke sociale cohesie. (In de laatste ROmagazine staat er een lezenswaardig artikel over). Aan de andere kant van het spectrum zijn er de lichtere vormen van participatie, zoals inspraak per ideeënbus, waarbij het risico bestaat dat alleen de wensen van een kleine minderheid worden gehoord. Of er nu sprake is van participatie-heavy of participatie-light, in beide gevallen kunnen bewoners nooit al het werk van professionals overnemen. Ontwerpen aan een leefbare omgeving blijft een vak. Dat merk je aan zo'n buurtplein en aan alle andere openbare ruimtes waarbij je denkt: 'op papier zag het er waarschijnlijk beter uit.'

25 augustus 2015

Altijd maar dat stomme voetbal

Ik woon aan een plein dat voor een groot deel is ingericht om op te voetballen. Laatst was er een picknick-middag voor de pleinbewoners. Er is geld voor vernieuwing, bewoners mochten met ideeën komen. Een jongetje van een jaar of zeven liet een plaatje zien van een kinderboerderij. Grazende schapen en geitjes voor de deur, dat leek hem leuk. 'Maar dan kan je niet meer voetballen', zei een volwassene. 'Weet je het zeker?' Ja, hij wist het zeker, zei het jochie.

Volgens mij moeten we beter naar dat jongetje luisteren. Niet dat ik een hekel heb aan voetbal. Integendeel, ik kijk graag naar wedstrijden op TV of naar het heerlijke geouwehoer in Voetbal Inside. Vroeger voetbalde ik zelf op straat, of liever nog op een grasveldje met twee jassen als doelpalen. Waar ik minder van hou, is de dominante plek die het voetbal inneemt in de openbare ruimte. Het voetbalplein is een vast onderdeel van bijna elke wijk, de laatste tijd vaak in de vorm van een voetbalkooi. In mijn buurt liggen twee voetbalpleinen op nog geen tweehonderd meter van elkaar. Op een paar minuten lopen liggen twee grote parken waarin ook prima kan worden gevoetbald, op echt gras. Wie graag wil voetballen zou daar ook terecht kunnen.

Natuurlijk moeten kinderen de ruimte hebben om te spelen in de stad. Maar wie heeft eigenlijk bedacht dat 'speelruimte' synoniem moet zijn aan 'voetbal'? Het lijkt eerder een gebrek aan fantasie dan een bewuste keuze; leg maar een plak steen of kunstgras neer met een paar strepen erop en we zijn klaar. Lekker makkelijk, lekker goedkoop in het onderhoud en alle kinderen blij.

Alle kinderen? Op mijn eigen voetbalplein zie ik dat er maar weinig écht wordt gevoetbald. Weinig partijtjes tussen twee teams, maar vaker een paar jongens - altijd jongens - die wat rondhangen en om beurten de bal op het doel knallen. De omwonenden van het plein worden dan urenlang getrakteerd op het geluid van een stuiterende bal. En op geschreeuw, want er is er altijd minstens één bij die vindt dat je een doelpunt moet vieren met oorverdovend gekrijs.


Halverwege de negentiende eeuw ontwikkelde de Britse filosoof Herbert Spencer de theorie dat kinderen een 'surplus aan energie' hebben. Speelplekken zouden zijn bedoeld om stoom af te blazen. Na een tijdje rennen, gillen en ruw gedrag zou het kind weer tot rust komen. Inmiddels weten we dat die theorie niet klopt en dat speelplekken zélf een grote invloed op het gedrag hebben. Op versteende, 'grijze' speelplekken gedragen kinderen zich drukker en minder sociaal dan op groene en gevarieerde speelplekken. Toch heeft de theorie van Spencer nog altijd ongemerkt veel invloed op de manier waarop speelplekken zijn ingericht. Veel speelplekken zijn open, versteend en fantasieloos. Om het tij te keren is in de VS en het Verenigd Koninkrijk een uitgebreide green playground beweging ontstaan.

Het voetbalplein is de ultieme grijze speelplek: lomp en luidruchtig. Toch zijn we het normaal gaan vinden dat kostbare open ruimte midden in woonwijken wordt opgeofferd aan voetbal, op een manier waar een grote meerderheid van de bewoners - onder wie ook veel kinderen - niets aan heeft. Zelden hoor je iemand zeggen dat zo'n voetbalplein of voetbalkooi gewoon lelijk is. Cruijff zou zeggen: je ziet het pas als je er naar kijkt.

Er moet iets beters te verzinnen zijn. Een kinderboerderij op mijn buurtplein zal er niet komen. Dat past vast niet binnen de regels. Maar ik zou de uitslag van een referendum 'voetbalveld of schapenveld' weleens willen zien. En anders zijn er nog duizend-en-één andere bestemmingsmogelijkheden dan dat eeuwige voetbal.

18 mei 2015

Voorbij de Vinex-clichés

De cultuurstrijd tussen de stad en de suburb is van alle tijden. Voor de spraakmakende stedelingen zijn de suburbs burgerlijke, eenvormige oorden en is de stad de plek waar het echte leven zich afspeelt. Het is een strijd tussen ongelijke partijen, want aan de voorstedelingen gaat de discussie grotendeels voorbij. Terwijl de stedelingen zich druk maken, leven zij gewoon hun leven, tevreden in de suburbane rust van het Fluitekruid of de Sardiniëdreef. Het  contrast tussen vooroordeel en werkelijkheid wordt mooi uitgespeeld in het boekje Groeten uit Vinexland. In acht sfeerreportages beschrijft Tijs van den Boomen het leven in verschillende Vinexwijken. Die Vinex waar we altijd zo druk over doen, maakt de schrijver duidelijk, is eigenlijk gewoon Nederland in het klein. Mensen werken er samen, ze wantrouwen elkaar, ze zetten de ruimte naar hun hand, ze sporten en gaan naar de kerk. Aan het eind van het boek lijkt Van den Boomen rijp voor een verhuizing: 
     "In lijn 13, die me vanaf Amsterdam Centraal naar huis brengt, merk ik dat ik de oude stad met andere ogen bekijk: de huizen vlak op elkaar, de volle straten, de drukte. Het lijkt wel of er een grauwsluier hangt over de mensen en de dingen. Het contrast met de frisheid van de Vinexwijken is groot (...)" 

Het boekje (hier te downloaden) is uitgegeven in het kader van het Jaar van de Ruimte. Dat is toch al een beetje het Jaar van het Vinex-eerherstel geworden. Eerder dit jaar was er een avond in Amsterdam met de veelbelovende titel 'Is de Vinex geslaagd?'. Een vurig debat in het hol van de leeuw, zou je verwachten. Maar het werd geen avondje grootstedelijke Vinex-kritiek. In plaats daarvan was het podium aan enkele kopstukken uit de RO-wereld die allen waren betrokken bij  de Vinex-operatie. Ook hier werd benadrukt hoe ‘gewoon' de wijken waren. En ook hier kregen de criticasters ('stadse intellectuelen') een plaagstoot uitgedeeld. Een pro-Vinex offensiefje dus. En dat mag natuurlijk best. Want de wijken hebben het zwaar te verduren gehad. Het voorzetsel 'Vinex' heeft een hardnekkige bijklank waarvan het de vraag is of die ooit zal verdwijnen; noem een roman Vinexvrouwen en de lezer begrijpt meteen dat er iets niet pluis is met die dames. 

Maar niet alleen over Vinexwijken gaan clichés rond, ook over Vinex-kritiek. De bewering dat die alleen maar afkomstig is (of was) van een elitair, bevooroordeeld groepje stedelingen is op zichzelf ook weer een cliché. En hij is onwaar. De zorg dat de wijken te grootschalig, te monofunctioneel ('wonen, wonen, wonen'), te aanbodgericht en te weinig onderscheidend waren, kwam uit een brede kring. In het tweede paarse kabinet probeerde staatssecretaris Johan Remkes om burgers meer zeggenschap te geven over hun woning en woonomgeving. Het aantal woningen in particulier opdrachtgeverschap moest flink omhoog, want zoals hij erbij zei: 'Nederland mag best een beetje meer op België lijken'. Het was midden in de vette jaren voor de woningbouw, en het kan moeilijk anders worden gezien dan als kritiek op de Vinex-praktijk. 

Vinexwijk moet zich bewijzen op de woningmarkt

Is het inderdaad 'eind goed al goed' met de Vinex en zijn we wel zo'n beetje klaar met discussiëren erover? Vijfentwintig jaar Vinex - de meeste wijken zijn jonger, sommige zijn nog niet af – lijkt lang maar is eigenlijk nog te kort om definitieve conclusies te trekken. De grote groep bewoners die rond hun dertigste naar een Vinexwijk verhuisde, behoort nog niet tot de senioren, hun kinderen moeten nog aan een wooncarrière beginnen. Het is dus nog te vroeg om te zeggen hoe de wijken het zullen doen als woonmilieu voor ouderen of voor de volgende generatie jonge starters. Bovendien ziet de wereld er alweer anders uit dan in 1990. Wie had toen bijvoorbeeld het dalende autobezit onder jongeren of de groei van het aantal zzp’ers voorspeld? Door krimp of afnemende groei zal de woningmarkt verder ontspannen. Het betekent dat het verschil tussen populaire en minder populaire wijken scherper aan het licht zal komen en dat woonmilieus zich sterker moeten bewijzen. Hoe zal het al die Leidscheveens, Terwijdes, IJburgen en Vathorsten vergaan? 

De trend is op dit moment dat de huizenprijzen in binnenstedelijke wijken zich het snelst herstellen. De prijzen van nieuwe woningen hebben sinds de vastgoedcrisis juist de hardste klappen gekregen. Het kan een tijdelijk verschijnsel zijn - de 'lucht' in de huizenmarkt die moest ontsnappen. Het kan ook zijn dat de populariteit van de stad verder doorzet en dat suburbane woonwijken het lastig krijgen op de woningmarkt, vooral als ze weinig bijzonders hebben te bieden. We kunnen afspreken dat we klaar zijn met de imago-discussie over de Vinex, de Vinexwijken zijn nog niet klaar met hun praktijktest.