12 december 2018

Liever een buurtmoestuin dan een groene metropool

Het groen in de stad staat zwaar onder druk. In Amsterdam is tussen 2003 en 2016 binnen de ringweg 600 voetbalvelden aan groen verdwenen. Als we zo doorgaan, worden onze steden onleefbaar. Want groen in de omgeving is juist zo belangrijk. Bomen koelen het klimaat, vangen water op en zuiveren de lucht. In een groene omgeving zijn mensen gelukkiger en gezonder, en  de huizen zijn er meer waard. Laten we daarom stoppen met het volbouwen van de stad.

Het bovenstaande is een korte samenvatting van het omslagartikel deze maand in Eigen Huis Magazine, het blad van de vereniging van huiseigenaren
. There are lies, damn lies and statistics, dacht ik bij het lezen. Want je kunt ook feiten noemen die een heel ander beeld laten zien. Zo heeft Amsterdam sinds 2016 een strenge bomenverordening, die voorschrijft dat er voor elke gekapte boom een nieuwe boom wordt teruggeplant. Hoeveel bomen er precies zijn in Amsterdam weet niemand, maar het zijn er waarschijnlijk meer dan ooit. De gemeente beheert 270.000 bomen (allemaal ingetekend naar soort op de bomen-website van de stad). Dat zijn er 100.000 meer dan in 1975. Het werkelijke aantal bomen wordt rond de één miljoen geschat. Wie de stad een beetje kent, weet dat het schrikbeeld van Amsterdam als versteende, onleefbare stad niet klopt. Als er nu één stad goed bezig is met groen, dan is het wel Amsterdam. De grachten zijn al van oudsher omzoomd door bomen, eerst lindes en tegenwoordig vooral iepen, en vanuit de wijken aan de buitenkant van de ringweg kun je overal langs een groen lint het buitengebied in fietsen of wandelen.  

Je kunt op eindeloos veel manieren berekenen hoe groen een stad is. Op Treepedia is van 27 steden gemeten hoeveel procent van de gebouwde omgeving een groen bladerdek heeft. Parken, grasvelden en groene ruimte rond de stad worden niet meegerekend. Op die manier meet je dus echt hoe groen de gebouwde omgeving is. Amsterdam staat met 20,6% op de dertiende plaats. Minder groen dan Oslo of Singapore, maar veel groener dan Londen of Parijs.

Van de 31 grootste steden in Nederland hebben Heerlen, Emmen en Lelystad de meeste vierkante meters groen per woning in de bebouwde kom, blijkt uit een onderzoek van de WUR uit 2014. Utrecht, Haarlem en Leiden bungelen onderaan, Amsterdam staat 23e. Als je zo'n lijstje ziet, zou je bijna zeggen: overal bomen kappen, want hoe minder groen hoe welvarender een stad is en hoe geliefder de woningmarkt. Onzin natuurlijk, maar het laat wel zien dat het veel te simpel is om alleen naar vierkante meters groen te kijken. In Amsterdamse wijken als de Bijlmer en Nieuw-West zijn in de afgelopen vijftien jaar grote lappen groen opgeofferd aan woningbouw. Vaak is daar nieuwer en beter groen voor in de plaats gekomen, zoals het Nelson Mandelapark in de Bijlmer. De nadruk in steden is verschoven naar kleinschalig groen: postzegelparkjes, geveltuintjes, buurtmoestuinen, groene daken. De volgende trend is verticaal groen. In Eindhoven en Utrecht worden torens gebouwd die zijn geïnspireerd op het bosco verticale van architect Stefano Boeri in Milaan. Dat wordt nog een leuke uitdaging straks voor onderzoekers: moet je het meetellen als groen of als gebouwde omgeving?

Trudotoren Eindhoven, artist's impression

Amsterdam, Bos en Lommer

Verdichten en vergroenen in de stad kan dus goed samengaan. Maar Eigen Huis Magazine creëert liever een spookbeeld. ‘Steden tot de laatste vierkante meter volbouwen, zoals Hong Kong, moeten we niet willen’, waarschuwt het blad. Waar moeten die 1 miljoen nog te bouwen huizen voor 2030 dan wel komen? Bij voorkeur buiten de bestaande stadsgrenzen, zegt de Wageningse onderzoeker Robbert Snep in het artikel. Landschapsarchitect Niek Roozen mag het stuk langs dezelfde lijn afsluiten: ‘Als we de gehele Randstad nu eens zien als een grote stad met het Groene Hart als schitterend park middenin, dan heb je de groenste metropool ter wereld’.

Daar komt de vinex-aap uit de mouw. Bouwen in de open ruimte als oplossing tegen de drukte. Nog meer dun uitgesmeerde verstedelijking, nog meer plekken die alleen met de auto bereikbaar zijn. Nieuwe woonwijken in het buitengebied zijn de droom van een flink deel van bouwend Nederland, vooral van grote ontwikkelaars met grondposities die sinds de vastgoedcrisis van 2008 in de wachtkamer zitten. Er is altijd wel een 'ruimdenkende' architect te vinden die deze lobby van een verhaal voorziet. Gewoon even een andere bril opzetten en jezelf inbeelden dat de Randstad één stad is, klinkt het dan. Op die manier is een weiland niet langer een schaarse open ruimte, maar een potentiële bouwkavel waarop we verder kunnen metselen aan onze groene metropool. Zet je hond achterin de auto, rij naar Aarlanderveen en doe alsof je in het Central Park van de Randstad bent.  

Dat er een spanning bestaat tussen bouwen en groen begrijpt iedereen. Soms is het écht heel jammer dat volwassen bomen moeten plaatsmaken voor een bouwproject, ook als er nieuw groen voor in de plaats komt. Maar het gevoel dat Nederland een druk en vol land is, komt niet doordat onze steden dichtbevolkt en versteend zijn. Dat zijn ze niet. Amsterdam is een groen dorp onder de wereldsteden, middelgrote steden als Nijmegen en Eindhoven hebben een lagere bevolkingsdichtheid dan slaperige stadjes in Andalusië. Het gevoel van drukte wordt veroorzaakt doordat we de ruimte rond en tussen de steden steeds verder laten dichtslibben. Bouwen in bestaand stedelijk gebied, met slim toevoegen van groen, is de oplossing, niet het probleem.

4 december 2018

Proud to serve local products


Als je door de Kinkerstraat loopt, de lange winkelstraat die vanuit de binnenstad dwars door Amsterdam-West snijdt, kun je met gemak zes of zeven verschillende talen opvangen. Aan het ene uiteinde van de straat klinkt soms nasaal Portugees, het gevolg van een clustertje Braziliaanse winkels en horeca. Af en toe hoor je nog Turks of Arabisch, of Nederlands met Amsterdamse tongval, want ondanks de toenemende verhipping heeft de straat haar volks-multiculturele karakter nog niet verloren. Geldtransferwinkels, kledingherstellers en massagesalons staan gebroederlijk naast de Action, de Blokker en het Kruidvat. Naarmate je dichterbij het centrum komt, neemt de kans toe op Frans, Spaans of Italiaans van toeristen.

Er zijn ook dagen waarop Engels de meest gehoorde taal is. Soms met een Amerikaans of Brits accent, maar vaker het internationale Engels dat in gemengde gezelschappen als voertaal dient. Het cliché dat Nederlanders steenkolenengels spreken, gaat in Amsterdam al lang niet meer op. Wat eerder opvalt, is hoe belachelijk goed het Engels van veel jonge Nederlanders is; je moet je best doen om nog een spoortje polderaccent te traceren. Steeds meer restaurants en winkels houden het bij Engels op de krijtborden: ‘We are proud to serve local products’. 

Het is vooral hard gegaan sinds de opening in 2014 van De Hallen, de oude tramremise die is verbouwd tot cultureel centrum. Vanaf dat moment is dit deel van Oud-West een verlengstuk van de binnenstad geworden. Zo voelt het ook steeds sterker. Bij de Albert Heijn in de buurt staan plukjes jonge toeristen bij de kassa met kant-en-klaar sandwiches, vertwijfeld kijkend bij de vraag van de kassière of ze een bonuskaart hebben. Er werken Poolse vakkenvullers die je in het Engels moet aanspreken om de weg naar een product te vragen. (Ik was zo verrast dat ik spontaan begon te hakkelen op zoek naar de vertaling van ‘kersen op sap’).

En dan is er natuurlijk AirBnB. In mijn straat in de Baarsjes, een buurt even voorbij de Kinkerstraat, zijn voormalige sociale huurwoningen verkocht door woningcorporaties en met flinke winst doorverkocht (denk aan prijzen van twee-en-halve ton voor 50 vierkante meter, met dakterras mag je er nog een halve ton bijdoen). Daarin mag de eigenaar twee maanden per jaar ‘hotelletje spelen’, al lijkt niemand te controleren of twee maanden ook daadwerkelijk twee maanden is. Het aantal rolkoffers op straat neemt gestaag toe. Onlangs raakte ik in gesprek met de hoofdbewoonster van zo’n pand (of ze de eigenaar is, heb ik niet gevraagd). Het bleek een jonge Roemeense te zijn; goede baan bij een internationaal bedrijf, veel op reis. Het was een leuk gesprek, te leuk om te verpesten met kritiek op AirBnB. Verder dan een wat plagerig "so you are the hotel manager", wat ze wel grappig scheen te vinden, kwam ik niet. Er klonk ook een verontschuldiging die ik vaker had gehoord: ‘Sorry, ik spreek wel een beetje Nederlands, maar ik heb nog geen tijd gehad om het goed te leren’. Intussen dacht ze waarschijnlijk hetzelfde als ik: we redden ons prima met Engels, dus why bother?

Dan hebben we het dus over een heel doorsnee woonbuurtje, dat amper vijftien jaar geleden nog op de lijst van achterstandswijken stond. Verderop, in het echte centrum, is de verengelsing al veel verder gevorderd. Zodra ik de Singelgracht oversteek, krijg ik het gevoel in een soort internationale zone terecht te komen, met steeds meer kroegen, restaurants en winkels waarin Engels de voertaal is. Opeens sta je voor een afweging die een paar jaar geleden nog ondenkbaar leek: zal ik hier Nederlands of Engels praten? Het doet een beetje denken aan Brussel, waar je als Nederlander voortdurend probeert te ontdekken, of te gokken, of een verkoper, serveerster of baliemedewerker Nederlands verstaat.



Het blijft niet bij horeca en winkels. Bij de bezetting in 2015 van het Bungehuis, een gebouw van de Universiteit van Amsterdam, werden de studenten (op hun verzoek) in het Engels toegesproken door burgemeester Eberhard van der Laan. Tijdens de laatste gemeenteraadsverkiezingen voerde de VVD campagne met If you love Amsterdam, vote VVD. Uitgebreid werden de standpunten in het Engels toegelicht op de website, met een nadruk op zaken als internationale scholen en een safe and clean city. Over immigratie en integratie, toch altijd belangrijke speerpunten van de rechts-liberalen, werd opvallend genoeg niets gezegd. Amsterdam is de enige stad op het vasteland van Europa waar je het redt met alleen Engels, zegt horeca-ondernemer Yossi Eliyahoo in een interview in Het Parool dit najaar. De Israeliër, die tien jaar geleden begon in de stad en elf restaurants heeft, verklaart dat hij 'wat woorden' Nederlands kent.

Je kunt het gebruik van Engels gemakkelijk afdoen als iets wat nu eenmaal bij een mini-wereldstad als Amsterdam hoort, iets wat er altijd al is geweest. Maar wat nu als dit iets anders is? Soms gaan ontwikkelingen zo snel dat je nauwelijks doorhebt wat er precies aan de hand is. Dit zou het begin van een nieuw taalgebied kunnen zijn: een zone, het centrum van Amsterdam met uitlopers, waarin Engels gestaag terrein verovert op Nederlands, net zolang tot het één van de voertalen in dat gebied wordt.

Moeten we er iets aan doen? De vraag is volgens mij eerder of we er iets aan kunnen doen. Natuurlijk moet je de woningmarkt reguleren, om te voorkomen dat de stad verandert in een beleggersparadijs vol tijdelijke woningen voor buitenlandse gasten. Je kunt regels bedenken die de verengelsing in het hoger onderwijs aan banden legt, zodat Nederlands behouden blijft als wetenschapstaal. Maar het zal niet voorkomen dat Engelstaligheid in de stad een permanent karakter krijgt. De immigratie van ‘westerse allochtonen', al jaren de snelst groeiende groep in de stad, zal doorgaan. Steeds meer mensen zullen besluiten dat Engels de meest logische taal is om te gebruiken, omdat dat de taal is waarin je jezelf het best verstaanbaar kunt maken. Engels is de gemakkelijkste weg, omdat het voor Nederlanders  eenvoudiger is hun Engels te verbeteren dan voor Engels sprekende niet-Nederlanders om Nederlands te leren, zeker als ze hier tijdelijk zijn. 

Regulering zal altijd achter de feiten aanhollen. Wat nu nog een tegemoetkoming is aan Engelstalige ‘gasten’ in de stad, zal verschuiven naar tweetaligheid. Tot er een punt wordt bereikt waarop het Nederlands een tegemoetkoming zal zijn aan de slinkende groep die daaraan hecht. De achterblijvers. De natives. Dan krijgen we bordjes met ‘Hier wordt Nederlands gesproken’. Of een apart symbool daarvoor, als teken van uitmuntende service.

Overdreven toekomstbeeld? Zo’n vaart zal het niet lopen? Dat dachten veel Brusselaars vast ook toen hun stadgenoten het Vlaams begonnen in te ruilen voor praktisch en statusverhogend Frans.

1 oktober 2018

Kaartlezen (33, slot) - Groen-Brittannië




Uitzicht vanaf een heuveltop over glooiende weiden gescheiden door heggen, hier en daar een boompartij en in de verte leigrijze rijtjeshuizen. Het is een iconisch beeld waarvan je meteen weet: dit is ergens in Groot-Brittannië. Of Britse steden mooi zijn, is een kwestie van smaak, maar de eilanders weten wel hoe ze de scheiding tussen stad en land moetenbewaren. Ook als je met de trein door het land reist, valt op dat de overgang tussen de bebouwing en het open landschap scherper is dan in bijvoorbeeld Nederland. De Britten waren er ook vroeg mee. De eerste plannen voor een groene bufferzone rond Londen dateren al van de jaren 1930. Vanaf 1947 is de green belt policy landelijk beleid. Er kwamen groene zones om de steden, waar grootschalige ontwikkelingen werden tegengehouden. Rond Londen was het doel het uitwaaieren van de stad te stoppen en woningbouw te concentreren in groeikernen op afstand van de stad, zoals Luton en Milton Keynes. Op andere plaatsen zorgden ze ervoor dat steden niet aan elkaar vastgroeiden, zoals rond Manchester, Leeds en Birmingham. In Engeland is 13% van het grondgebied green belt, in Wales en Schotland spelen ze een bescheidener rol.

Een planningssucces en een voorbeeld voor veel andere landen. Maar de green belt is zijn heilige status aan het verliezen nu een ander probleem zich opdringt: het tekort aan betaalbare woningen. In kosmopolitisch Londen, maar ook in andere Britse steden gaan de huizenprijzen door het dak en is een eigen huis vrijwel onbereikbaar geworden voor mensen met een gemiddeld salaris en zonder eigen vermogen. In elke Engelse stad heeft de gemiddelde huizenprijs zich in de afgelopen twintig jaar minimaal verdubbeld. Tegelijkertijd stokt de woningbouw. De green belts worden steeds vaker als een knellend keurslijf beschouwd. Vanuit economische hoek, vooral van vrije-markteconomen, was er altijd al kritiek op, omdat de groene zones de woningmarkt zouden verstoren en beletten dat woningen op de meest ‘logische’ plek komen. Maar ook sommige planners vinden dat er anders naar de groene gordels moet worden gekeken. De onafhankelijke denktank Centre for Cities pleit al jaren voor woningbouw in de groene gordels. Britse steden hebben zoveel meer huizen nodig, dat alleen hoger bouwen in de stad of omvorming van verouderde industriegebieden (brownfields) niet genoeg is. Door 5% van de green belts rond tien steden op te offeren aan woningbouw, berekenden de onderzoekers, kunnen anderhalf miljoen huizen worden gerealiseerd op loopafstand van stations.



Tegelijk met de discussie over het nut van de green belts is er een vraag naar meer openheid en beschikbaarheid van data. Het tweede kaartje laat zien dat slechts een klein deel van de metropolitane green belt rond Londen voor publiek toegankelijk is (het donkergroene deel). Het ontoegankelijke, lichtgroene deel bestaat vooral uit landbouwgebied, maar ook steeds meer uit bedrijventerreinen, infrastructuur en golfbanen.Grote investeerders kopen er grond, hopend op een waardestijging als dat stuk gebied van bestemming verandert. Het interessante project Who owns England  (whoownsengland.org) brengt in kaart wie de grondeigenaars zijn, welke plannen ze hebben en hoe ze lobbyen om die uitgevoerd te krijgen. Als de groene gordel steeds minder groen wordt en de grens tussen stad en land steeds poreuzer, is de gedachte, laat iedereen daar dan over meedenken in een publiek debat.

Verschenen in Geografie, oktober 2018

26 september 2018

Estse angst


Het is natuurlijk een misverstand dat je een land kunt leren kennen door een paar dagen in de hoofdstad door te brengen. Alleen al het feit dat je druk op zoek gaat naar ‘leuke dingen om te doen’, maakt dat je blik wordt vertroebeld. Zelfs als je uit nieuwsgierigheid een rit met de metro of tram naar de laatse halte in een buitenwijk maakt, iets wat ik altijd probeer te doen, vang je nog niet meer op dan een glimp.

Het bovenstaande is bedoeld als disclaimer, want ik was vorige maand een paar dagen in Tallinn en ga nu iets over Estland zeggen. Het eerste wat me opviel, is dat Esten zo tevreden lijken met het feit dat ze Est zijn. Overal waar je kijkt zie je de nationale driekleur, als vlag of geprojecteerd als lichtshow op gebouwen. Het Ests Historisch Museum, gevestigd in de gildehal in de knusse middeleeuwse binnenstad, is doortrokken van vrijheidsdrang. Het tijdperk waarin Estland deel uitmaakte van de Sovjet-Unie, dat volgde op de eerste onafhankelijkheidsperiode 1917 -1940, wordt er in niet mis te verstane woorden samengevat:

 …the Soviet army occupied Estonia in 1940. The will to be independent persisted, but Moscow’s rule continued for the next 50 years. Estonia’s yearning for freedom surfaced again in the late 1980s, culminating in the “Singing Revolution” and the restoration of independance in 1991. Estonians have one of the smallest nation states in the world, and having struggled for their own country, they hold it dear.

Vladimir Poetin mag denken dat het uiteenvallen van de Sovjet-Unie ‘het grootste drama van de twintigste eeuw is’, in Tallinn denken ze daar dus duidelijk anders over. Tussen de klederdrachten en de landbouwattributen in het museum staan beeldschermen waarop de bezoeker quizvragen kan beantwoorden over Estland en de Estse volksaard. Het is een vriendelijk soort nationalisme, ironie met een ondertoon van trots.

Nu heeft Estland ook iets om trots op te zijn. De binnenstad van Tallinn is een plaatje, met de Toompea-heuvel als uitstulping voor de belangrijkste overheidsgebouwen, daaromheen ambassades van landen die er na de onafhankelijkheid snel bij waren om de monumentale panden te betrekken. Het zou zomaar de mooist gelegen parlementswijk ter wereld kunnen zijn. Als voetganger heb je de binnenstad voor jezelf. Ondanks het massale toerisme zijn er nog verrassend veel rustige plekken. Er zijn daarentegen ook momenten waarop je het gevoel krijgt in een themapark rond te lopen; denk aan kelners in middeleeuwse kledij die bier in stenen karaffen rondbrengen.

Rond het centrum zie je een ambitieuze stad die duidelijk haast heeft om te stijgen op de ranglijst van kosmopolitische en leefbare steden. Aan het waterfront aan de haven staan gloednieuwe, smaakvolle appartementen. In de wijken die tegen het centrum aanliggen zijn oude fabrieken verbouwd tot cultuur-, koop- of uitgaanscentrum. De ruwere versie daarvan in de wijk Kalamaja ten noordwesten van de binnenstad, waar ook de markthal en de belangrijkste moderne musea van de stad liggen, de meer gepolijste versie in het Rotermann Quarter aan de oostkant. Hipsterwijken, heet het dan al snel in de buzz over een bestemming in opkomst. Ik vond dat nogal meevallen. Tallinn is gewoon een stad die zijn industrieel erfgoed slim benut, waar ze begrijpen dat bakstenen fabriekspijpen inmiddels net zo aantrekkelijk authentiek worden gevonden als gothische kerktorens. Als het al hip is, dan is het een nette en toeristvriendelijke versie daarvan.


Ruime keuze op de tap in Kalamaja

Linnahall

Wat nog minder goed lukt is fietsen, toch ook een onmisbaar ingrediënt van de hedendaagse leefbare stad. Ze willen duidelijk wel, met overal fietswinkels en hier en daar een fietsstrook. Maar Tallinn kent weinig fysieke barrières, waardoor de stad verspreid ligt over een groot gebied en de auto er voorlopig koning is. De stad heeft hier en daar ook een wat steriel en commerciëel gezicht. Zo ligt aan het westelijke uiteinde, kilometers buiten het centrum, een reusachtige shopping mall met de weinig Ests klinkende naam Rocca al Mare, omgeven door een parkeervlakte en luxe-appartementen aan het water. 

Monumenten uit de Sovjettijd zijn er nog genoeg, maar ze spelen een bijrol. Het beste voorbeeld is de Linnahall aan de haven, gebouwd in 1980 voor de zeilonderdelen van de Olympische Spelen. De half verruïneerde staat van het betonnen bouwwerk lijkt bijna een provocatie, een opzettelijk contrast met de glimmende nieuwbouw van na de onafhankelijkheid.

Aan het andere uiteinde van de stad staat nog zo’n Sovjetsymbool: de TV-toren, ook uit 1980. In de hectische dagen van augustus 1991 was die het toneel van een couppoging, toen de situatie in Moskou even onduidelijk was en enkele nog aanwezige Sovjet-militairen in Estland de toren binnenvielen. Vier Estse technici sloten zichzelf op in de controlekamer, waardoor de uitzendingen in het net onafhankelijke Estland konden doorgaan. Bij de ingang staat een monument om de daad van verzet te memoreren en bezoekers uitleg te geven.

Op het uitkijkplatform halverwege de toren moest ik even zoeken naar de rode daken van de binnenstad; de rijen flats in het oosten en zuiden van de stad uit de Sovjetperiode zijn gemakkelijker te vinden. Daartussenin liggen, losjes verspreid in het vele groen, de houten huizen van voor 1940 en de nieuwbouw van na 1991. Aan de overkant van het water was heel vaag een streep Finse kust te zien, tachtig kilometer verderop. Opeens besefte ik hoe klein het land is: met één hoofdbeweging uitzicht over ruim een op de drie Esten. Naast Tallinn zijn er nog drie wat grotere steden, die samen nog niet half zo veel inwoners hebben als de hoofdstad. De taal telt amper een miljoen sprekers, met alleen het Fins en heel ver weg het Hongaars als familie. Als deel van de Europese Unie, de Eurozone en de NAVO lijkt de economische en strategische veiligheid van Estland gegarandeerd. Maar dat wil nog niet zeggen dat het land wordt gezien. Hoeveel mede-Europeanen kunnen de naam van een Estse film, voetbalclub of de premier noemen? Hoeveel mensen zouden weten dat Skype een Estse uitvinding is? In de internationale media en politiek figureert het land vooral als een bufferzone, het speelveld van een mogelijke nieuwe koude of misschien zelfs warme oorlog, een geopolitiek pionnetje dat vaak niet eens een eigen naam wordt gegund en onder de noemer ‘de Baltische Staten’ wordt geveegd.

Of de Esten echt bang zijn voor een herhaling van de geschiedenis, betwijfel ik. Het lijkt me eerder dat die getoonde vrijheidsdrang en nationale trots voortkomen uit een gevoel van kwetsbaarheid, een angst om te verdwijnen in een te grote buitenwereld. Het bestaansrecht van zo'n klein land, met een eigen taal en cultuur, moet steeds weer opnieuw worden bevestigd. Dan kan een verleden om je tegen af te zetten een geschenk zijn.


Rocca al Mare


14 juli 2018

Geodicht




De fabrieken aan de Zaan
Sommige zullen er altijd staan

Andere gaan door kolossale zwakte
Op een dag tegen de vlakte

Te lomp, te leeg, geen nieuwe koper
Dan resteert nog slechts de sloper

Intussen ligt bij de makelaar
Een glimmende brochure klaar

Staat op het industriële puin 
Straks uw nieuwe achtertuin?

Weer wat Zaankant ingelijfd
Maar de geur van zetmeel blijft




9 juli 2018

Dutch spoken here - How Amsterdam is becoming a bilingual city


De Kinkerstraat


When you walk through the Kinkerstraat, the long shopping street to the west of the Amsterdam inner city, you can easily catch six or seven different languages. At the western end of the street there is occasionally nasal Portuguese, due to a cluster of Brazilian shops and bars. You can still hear Arabic or Turkish sometimes, or Dutch in an Amsterdam accent, because despite gentrification the street has not yet lost its working class and multicultural character. Money transfer shops, clothing repairers and massage parlors are mixed with affordable chain stores. As you walk from west to east and get closer to the inner city, you will more likely hear the French, Spanish or Italian of tourists.

There are also days when English is the most common language. Sometimes with an American or British accent, but more often the international English that is the language of choice in mixed groups. Many times it is the Dutch doing the talking. Not any longer in broken English (the famous steenkolenengels or ‘coal English’), because most young Dutch in Amsterdam speak excellent English. More and more restaurants and shops are using only-English chalkboards. 'We are proud to use local products', I once read on one of them.

Things have changed especially fast after the opening in 2014 of De Hallen, the old tram depot that has been converted into a cultural center. From that moment on this part of the Kinkerstraat neighborhood has become an extension of the inner city. In the local supermarkets you will see young tourists with ready made sandwiches, looking puzzled at the cashiers question whether they own a bonus card. Some of the employees are Polish. They can show you the way to a product, but you have to ask them in English. (I was so surprised that I started stammering spontaneously, unable to translate kersen op sap as cherries in syrup).






And then of course there is Airbnb. In my neighborhood De Baarsjes, just to the west of the Kinkerstraat, former social houses have been sold by the housing corporations for relatively low prices and resold for much higher prices, in the range of 250.000 to 300.000 euros for a 50 m2 appartment. According to city policies, the new owners are allowed to let their appartments to guests for two months a year, although nobody seems to check if two months is actually two months. The rattling of trolley cases on the pavement has become a common sound. Recently I was talking to the chief occupant of one of these appartments (I did not ask if she was the owner). A young Romanian, good job at an international company, away for business a big part of the year. It was a nice conversation, too nice to ruin with criticizing Airbnb. I did not go beyond a teasing "So you are the hotel manager?”, which she seemed to think was rather funny. She made an apology that I had heard many times before in Amsterdam: "Sorry, I do speak a little Dutch, but I haven’t had the time to learn it better’. Meanwhile she probably thought the same as I did: we are doing well in English, so why bother about Dutch?

Still, the Baarsjes is nothing fancy, just an ordinary residential quarter that was on the list of deprived neighborhoods only fifteen years ago. Two kilometers to the east, in the inner city, the anglicisation is much more advanced. When I cross the Singel on my bicycle, the canal that encircles the inner city, it feels like entering a kind of international zone, where more and more bars, restaurants and shops are using English as the language of preference. Suddenly you are faced with a choice that seemed unthinkable in the past: will I speak Dutch or English here? It is somewhat reminiscent of Brussels, the once Flemish-Dutch speaking city that turned francophone, where as a Dutch visitor it is always a challenging game to figure out whether a shop-assistant, waitress or clerk is part of the Dutch-speaking minority, or at least willing to speak Dutch.

During the occupation in 2015 of the Bunge Huis, a building of the University of Amsterdam, the protesting students were (at their request) spoken to in English by mayor Eberhard van der Laan. During the municipal elections in the spring of 2018  the VVD, nationwide the largest party, campaigned with If you love Amsterdam vote VVD. The party's website had a page in English, with an emphasis on issues like international schools and ‘a safe and clean city’. Remarkably there was nothing about immigration and integration, usually important issues for the right-wing liberals. Apparently you are more than welcome as long as you bring money and English; don’t worry about the language, we’ll adapt to you. Amsterdam is the only city in mainland Europe where you just need English to make it, says entrepreneur Yossi Eliyahoo in an interview in local newspaper Het Parool. The Israeli, who started ten years ago in Amsterdam and is the owner of eleven restaurants in the city, admits that he only knows a few words of Dutch. 

The importance of English could easily be dismissed as something that belongs to the pocket-sized metropolis that Amsterdam is, and always has been. But what if this is different? What if this is one of those cases in which things move so fast that it is hard to see what exactly is going on? This could very well be the beginning of a new language area: the center of Amsterdam, with a few extensions, where English is steadily conquering ground, until the area becomes truly bilingual.

Should something be done about it? The question, it seems to me, is if something can be done. There is no doubt the housing market needs regulation to avoid the city turning into an investor’s paradise full of temporary housing. In the academic world efforts should be made to protect Dutch as a scientific language. But it will not prevent the presence of English in the city to get a permanent character. Some of the expats and international students will stay. The immigration of 'foreigners from western countries’, for many years the fastest growing immigrant group in the city, will continue. More people will decide that English is the best language to use, as it is the language in which the greatest number of people will understand what you are saying. It is also the choice that requires the smallest common effort in a mixed population, because learning Dutch is much harder for the non-Dutch than it is for the Dutch to improve their English.

Regulation will always be overtaken by events. What is still a concession to English speaking ‘guests’ in the city, will shift to bilingualism. Until a point is reached where the use of Dutch will be a concession to the shrinking group that has a problem using English. The laggards. The natives. Then we will have signs with ‘Dutch spoken here’, as if it is something special, a symbol of excellent service.

An exaggerated picture of the future? Will not happen? That must have been the thought of many people in Brussels in the 19th century, when their fellow citizens gradually started to replace Flemish with practical and status-enhancing French.

18 juni 2018

Kaartlezen (32) - Groeten uit de wereld



Bij het bezoeken van een populaire bestemming is het moeilijk om te ontsnappen aan rituelen die eraan herinneren dat je een toerist bent. In de rij voor een bezienswaardigheid. Om andere toeristen heen fotograferen, of zelf in de weg staan als een medebezoeker bezig is dat ene plaatje te schieten. Straatverkopers die je van grote afstand herkennen als mogelijke prooi. De laatste jaren zijn daar horecamedewerkers en lokale gidsen bijgekomen die je na afloop vragen om een goede recensie achter te laten op reissites als Tripadvisor. Ze doen het niet zomaar, want de kans is groot dat je vooraf zelf ook hebt gekeken op zo’n site. Het is de paradox van de vakantieganger: verrast willen worden, maar vooraf toch even opzoeken wat de leukste verrassingen zijn.

Deze wereldkaart (grote versie) laat zien wat volgens bezoekers van Tripadvisor, ’s werelds grootste website op het gebied van reisadvies, de beste bezienswaardigheid per land is. Vaak is het wat je verwacht: Machu Picchu in Peru, de Tafelberg in Zuid-Afrika, de Taj Mahal in India, het Rijksmuseum in Nederland. Soms verrassend (de Harry Potter Studio Tour in het Verenigd Koninkrijk, really?). En soms nieuwsgierig makend; de topattractie van Turkmenistan zou het “Door to Hell gas deposit” zijn. De bestemmingen zijn onderverdeeld in vier categorieën. Het hoogst scoren de natuurlijke bezienswaardigheden, die vooral in Zuid-Amerika en sub-Sahara Afrika de kaart domineren. Daarna volgen de historische bezienswaardigheden, de algemene toeristische bestemmingen (waarmee ook musea worden bedoeld) en religieuze monumenten als kathedralen, moskeeën en tempels.

Een aardige dwarsdoorsnede van het wereldtoerisme. Er valt ook wel iets aan te merken op de kaart. Zo lijkt het wat willekeurig dat een historische binnenstad in sommige landen als zelfstandige attractie geldt, terwijl andere het met een meer specifieke plek moeten doen. Ook het gebruik van grijs voor een van de vier categorieën is minder goed gekozen. Op een kaart met kleuren staat grijs meestal voor ‘geen gegevens’ of ‘niet van toepassing’. Het mooie aan deze kaart is juist dat hij zo volledig is. Letterlijk elke zelfstandige natie doet mee. Van China, met de Grote Muur uiteraard, tot het het piepkleine Palau met Jellyfish Lake, waarin miljoenen goudkleurige kwallen rondzwemmen. Toerisme is overal. 




Verschenen in Geografie, juni 2018
www.geografie.nl

19 mei 2018

Geodicht





Distributiehuis met filialen
voor brengen en voor halen
Efficiënte uitwisseling
van mens, dier, plant en ding 
met China, Spanje of Stavanger

Maar we geloven het niet langer,
die eindeloze vlucht naar voren
Willen vogels kunnen horen
Steeds luider klinkt het luchtalarm:
Schiphol-Rijk, Nederland arm



13 mei 2018

Kaartlezen (31) - Een andere kijk op drukte



Welk land is dichter bevolkt, Nederland of Spanje? Het lijkt een uitgemaakte zaak. Nederland heeft meer inwoners per vierkante kilometer, dus is het dichter bevolkt. Toch valt er ook iets te zeggen voor Spanje. Als geheel is Spanje minder dichtbevolkt omdat er meer lege natuur is. Maar daar waar mensen wonen, zitten ze dichter op elkaar. Dat is goed te zien op een kaart die de bevolkingsdichtheid van elke vierkante kilometer weergeeft.

De Britse woningmarktonderzoeker Dan Cookson maakte een fraaie zoom map met behulp van Europese bevolkingscijfers uit 2011. Bij mij werkte het licht verslavend om te ‘reizen’ over de kaart en overal even te kijken hoe het met de bevolkingsdichtheid is gesteld. Je kunt inzoomen tot op straatniveau en door met de cursor boven een hokje te blijven staan, is van elke vierkante kilometer het exacte aantal inwoners zien. Wat de kaart ook aantrekkelijk maakt, is de slimme kleurkeuze: wit is leeg, blauw is koel, rood is warm en geel is gloeiend. De gele blokjes, die een vierkante kilometer met meer dan 10.000 inwoners weergeven, springen er duidelijk uit. Het patroon in elk land is dat de meeste grotere steden minimaal één geel blokje in hun centrum hebben - zo heeft Gent er één en Aken vier - en de echt grote steden een heel cluster. 

Per land zijn er ook verschillen. Spanje is de kampioen van de dichtheid: Madrid en Barcelona zijn zeeën van geel in een relatief leeg ommeland. Maar je vindt ook flink wat gele blokjes in Spaanse voorsteden en in kleinere stadjes. Een zelfde patroon van kleine stadjes met hoge dichtheid is te zien in Polen. Ook het dichtstbevolkte stukje Europa lag in 2011 in Spanje: in het centrum van Barcelona woonden 53.119 mensen op een vierkante kilometer.

En dat brengt ons op Nederland. De dichtstbevolkte vierkante kilometer ligt in de populaire buurt De Pijp in Amsterdam: 23.485 inwoners in 2011. Naast de vier grote steden hebben Arnhem (1), Delft (2), Groningen (1), Haarlem (2), Leiden (3) en Schiedam (2) gele blokjes op de kaart. Nederland mag dan als geheel een dichtbevolkt land zijn, als je kijkt naar onze steden dan valt het nog wel mee. Eindhoven, Tilburg en Nijmegen doen qua bevolkingsdichtheid niet mee in de Europese eredivisie en worden ‘verslagen’ door slaperige stadjes in Andalusië. Is dat nu goed of slecht? Het is in elk geval opmerkelijk. In het ruimtelijk beleid wordt al jaren geprobeerd om steden te verdichten. Binnenstedelijk bouwen krijgt de voorkeur boven nieuwe woonwijken in het weiland. Het zorgt voor veel discussie, waarin allerlei argumenten voorbijkomen. Verdichten heeft voordelen: het kan zorgen voor minder verkeer, spaart open ruimte, en het creëert een ‘kritische massa’ voor voorzieningen en ontmoetingsplekken. Maar er zijn ook bezwaren te horen: niet iedereen wil boven op elkaar wonen, en verdichting mag niet ten koste gaan van groen in de stad. De blokjeskaart van Cookson werpt een nieuw licht op het Nederlandse verdichtingsdebat. Misschien zijn we gewoon weinig gewend.

Verschenen in Geografie, mei 2018



13 april 2018

Kaartlezen (30) - Een schop in Donalds rug




Bij de verkiezingen voor het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden –  dat samen met de Senaat de volksvertegenwoordiging, het Congres, vormt – zijn de kiezers ingedeeld in 435 kiesdistricten. De winnaar in elk district krijgt een zetel in Washington. Het gaat bij de verkiezingen dus om gebieden en niet om het totale aantal stemmen, net zoals bij de presidentsverkiezingen. Amerikanen houden blijkbaar van politiek met een geografisch tintje. Over die kiesdistricten is een eindeloze discussie gaande. Over hun vorm, om precies te zijn. Die is soms onbegrijpelijk grillig en willekeurig, alsof iemand met koffie heeft gemorst over de kaart. Een mooi voorbeeld is kiesdistrict 7 in de staat Pennsylvania, in en rond Philadelphia. Het heeft als bijnaam ‘Goofy kicking Donald Duck in the back’. Als je goed kijkt, kun je zien waarom.

De gewoonte om kiesdistricten opzettelijk een rare vorm te geven, een praktijk die gerrymandering wordt genoemd, dateert al uit het begin van de negentiende eeuw. De Amerikaanse wet schrijft voor dat kiesdistricten een min of meer gelijke omvang moeten hebben, op dit moment is dat ruim 700.000 inwoners. Maar over welke vorm ze moeten hebben, zijn de regels vager. Daardoor is het ontwerpen van kiesdistricten al twee eeuwen onderdeel van het politieke machtsspel tussen de Democraten en de Republikeinen. Door de grenzen te manipuleren kan de  partij die aan de macht is zichzelf bevoordelen. Je kunt de kiesdistricten zo samenstellen dat je eigen achterban in zo veel mogelijk districten een (kleine) meerderheid vormt. Zo win je een maximaal aantal districtszetels met een minimale meerderheid. Zie het linkerplaatje, waarop blauw alle zetels wint. Omgekeerd is het mogelijk om met een minderheid aan stemmen toch de meerderheid van de zetels te winnen. Zie het rechterplaatje; daarop wint rood de meeste zetels, terwijl de stemverhouding hetzelfde is als op het linkerplaatje.


Dat laatste gebeurde bijvoorbeeld in 2012 in Pennsylvania, de staat met het Goofy/Donald district. De Republikeinen wonnen daar toen 13 van de 18 zetels in het Huis van Afgevaardigden, terwijl ze 48,8% van de stemmen haalden. De Democraten haalden 50,3% maar moesten het met 5 zetels doen. In februari van dit jaar oordeelde de hoogste rechter in Pennsylvania dat de kieskaart bij de komende verkiezingen in november moet worden veranderd. Volgens de rechter is het duidelijk dat grenzen zoals die van kiesdistrict 7 uitsluitend zijn bedoeld om de Republikeinen te bevoordelen, door zo veel mogelijk Democratische kiezers onder te brengen in zo weinig mogelijk kiesdistricten. 

Er moet een nieuwe kieskaart in Pennsylvania komen, eenvoudiger en minder geografisch verbrokkeld. De uitspraak wordt gezien als een overwinning voor de Democratische partij. Die heeft over het algemeen het meest last van gerrymandering omdat hun kiezers sterker zijn geconcentreerd in steden, waar het manipuleren van grenzen grotere aantallen kiezers treft dan in landelijk gebied. Het is dus geen toeval dat President Donald Trump zijn partijgenoten in Pennsylvania op Twitter aanspoorde om de uitspraak aan te vechten: “Your Original (de oude kieskaart, MdJ) was correct! Don’t let the Dems take elections away from you so that they can raise taxes & waste money.”

Verschenen in Geografie, april 2018
https://geografie.nl/tijdschrift/geografie-april-2018



Update: Trumps tweet heeft niet geholpen. De kieskaart van Pennsylvania is aangepast. Het oude district 7 (het groene gebied rechtsonder op het kaartje links) bestaat niet meer. 

15 maart 2018

Kaartlezen (29) - Kloofkaarten

De kloof is opeens niet meer weg te denken uit het debat. We raken niet uitgepraat over de verschillen tussen stad en land, arm en rijk, volk en elite. Ook op kaarten is er een groeiende belangstelling voor kloven te zien. Op internet is een trend aan de gang waarbij amateurs zelfgemaakte kaarten plaatsen op populaire sites als Reddit. Het zijn steeds meerdere kaartjes bij elkaar waarop een land of regio is verdeeld langs simpele scheidslijnen. Hier wonen rustige mensen en hier druktemakers. Hier eten ze graan en hier rijst. Hier komen toeristen, hier niet.
 
Het was ontwerper Yanko Tsvetkov die de trend zette met de Atlas of Prejudice uit 2015. Zijn stijl is overgenomen door andere kaartenmakers, waardoor kloofkaarten direct herkenbaar zijn aan hun felle kleuren, gescheiden door stippellijnen. Het is puur hobbyisme. De bron van de kaart is het brein van de maker, die vaak achter een pseudoniem schuilgaat of zelfs helemaal onvindbaar is. De omschrijvingen bij de kaart zijn soms geestig, soms flauw, soms ronduit grof en soms totaal onbegrijpelijk voor wie het afgebeelde land niet goed kent.
 


Neem de kaartjes van Taiwan. In het noorden houden ze van zout, in het zuiden van zoet, dat is duidelijk (linksboven). Andere kaartjes laten zien dat er volgens de maker ‘oude boeren’ wonen in een deel van het land, die ook nog een onverstaanbare taal spreken. De oostkust van het eiland heeft last van tyfoons, de rest van fijnstof uit China. Maar wat zijn KaoBei engineers? Nazoekwerk levert op dat hier de IT-centra van Taiwan liggen en het zo iets als ‘gestresste ingenieurs’ betekent. 

Hoe vreemd die kloofkaarten soms ook zijn, toch hebben ze hun waarde. Ze herinneren eraan dat er door elk land onzichtbare scheidslijnen lopen.Zet een aantal kaartjes bij elkaar en je krijgt een aardige indruk van hoe bewoners over elkaar denken en welke geografische stereotyperingen daarbij horen. Natuurlijk zijn de kaarten subjectief. Het is niet  de bedoeling dat je ze al te serieus neemt. En als een kaart er echt naast zit, is er altijd nog het zelfreinigend vermogen van de internetgemeenschap. Dan kan de maker rekenen op reacties of komt er een verbeterde of nieuwe versie. Zo blijft de kloof tussen 'flauwekul' en 'interessant' ook weer binnen de perken.

Verschenen in Geografie, maart 2018

Een verzameling kloofkaarten is te vinden op  https://www.vividmaps.com/category/mapping-stereotypes

9 maart 2018

Geodicht



Ik ben Jan de huurder
Mijn woning werd steeds duurder

Toch blijft er maar gezwam
In zeepbel Amsterdam

Waar de middenklasse niks kan kopen
En bellenblazers hopen

Dat dit probleem voorbijgaat
Als je lelijk over mij praat

Kom eens kijken voor de grap
Twee kamers en een steile trap

Wil je dààr echt in
Met je modelgezin?



11 januari 2018

Kaartlezen (28) - Vaarwel stad





Deze kaart van de Randstad levert een bekend beeld op. De vier grote steden horen bij de ene groep (geel) en de meeste andere gemeenten bij de andere (groen). Dan moet het wel iets met groei te maken hebben, denk je al snel. Want overal lezen en horen we dat de steden ongekend populair zijn en onstuimig groeien. De stad is the place to be, vooral voor jongeren. Hier is de verrassing: de kaart toont precies het omgekeerde. Hij laat de ontwikkeling zien van het aantal huishoudens van jonge dertigers (30-34 in 2011) met of zonder kinderen, in de periode 2011-2016. Geel is krimp, groen is groei. De vier grote steden verliezen juist dertigers, net als de studentensteden Delft en Leiden. Bijna alle andere gemeenten trekken jonge huishoudens aan. Je moet goed zoeken naar uitzonderingen. Slechts een paar kleinere gemeenten, waaronder Lisse en Gouda, slaagden er niet in om huishoudens uit deze groep te winnen.

De kaart is gemaakt door onderzoeks- en adviesbureau RIGO en komt uit de serie ‘Veel voorkomende misverstanden over de woningmarkt’. Een van die misverstanden is dus dat het aantal jongeren in de steden enkel toeneemt. Dat geldt misschien voor bepaalde groepen, zoals studenten en jonge buitenlandse werknemers, maar niet voor jonge gezinnen. Er zijn een paar verklaringen. Voor een deel is de uittocht van dertigers een inhaaleffect. Door de crisis bleven mensen langer zitten waar ze zaten. Een deel van de verhuizingen kwam bovendien terecht in grote Vinex-wijken die bij de stad horen, zoals Leidsche Rijn (Utrecht), Nesselande (Rotterdam) en IJburg (Amsterdam). Die effecten zijn nu deels uitgewerkt. En juist omdat de stad zo populair is, de huizenprijzen er zo snel zijn gestegen en er relatief weinig grotere woningen met tuin zijn, betekent verhuizen voor jonge gezinnen meestal een vertrek uit de stad.

Altijd goed als bestaande ideeën op hun kop worden gezet met nuchtere feiten. Helemaal als die feiten op een overzichtelijke kaart worden gepresenteerd. Het toont aan hoe je moet oppassen met algemene termen als groei, jongeren en aantrekkingskracht. Wat kaarten en statistieken dan weer minder goed laten zien, is hoe mensen zich voelen. Achter elke verhuizing schuilt een verhaal. Hoeveel stadverlaters zouden er balend in de trein of auto zitten, verlangend naar de tijd dat ze nog op de fiets sprongen naar hun werk in de stad? Hoeveel zijn er juist elke dag weer blij met hun huis met tuin? Het is van alle tijden dat mensen de stad verruilen voor een ruimere en rustigere woonomgeving. En ook dat je als huizenzoeker niet alles tegelijk moet willen, want het spreekwoordelijke boerderijtje in de Kalverstraat bestaat alleen in sprookjes. Maar toch: in hoeverre is die trek uit de stad van jonge gezinnen nu een positieve keuze en in hoeverre is het een noodgedwongen suburbanisering van mensen die eigenlijk stedelijker zouden willen wonen? Er is maar één manier om erachter te komen: vraag het ze. Niet vluchtig en vlak na de verhuizing,maar in een onderzoek dat verder kijkt. Echt een klus voor geografen.

Verschenen in Geografie, januari 2018