Posts tonen met het label Amsterdam. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Amsterdam. Alle posts tonen

23 november 2019

De kosmopolitische zone


Verschenen in Geografie, november/december 2019 
www.geografie.nl




Amsterdam groeit en bloeit, zo onstuimig dat hier en daar al over een tweede Gouden Eeuw wordt gesproken. Het krijgt meer inwoners, wordt welvarender en trekt meer bezoekers. Compleet nieuwe wijken als Haven-Stad en de geplande hoogbouwwijk Sluisbuurt, allebei langs het IJ, zullen de stad rond 2034 boven de één miljoen inwoners tillen. Een kijkje achter de cijfers laat zien dat de groei selectief is. De bevolkingsgroei kwam in de jaren 2015-2017 helemaal voor rekening van immigratie uit het buitenland, met de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, India en Italië als belangrijkste herkomstlanden. De stad verloor meer inwoners aan de rest van Nederland dan het daaruit aantrekt. Vooral jonge gezinnen vertrekken na de komst van het eerste of tweede kind naar een omliggende gemeente, waar een ruimere woning nog enigszins betaalbaar is. 

De groei van de stad betekent in de praktijk krimpende kansen voor veel Amsterdammers, of voor degenen die dat willen worden. De kans op een betaalbare woning in Amsterdam is voor veel huizenzoekers zo goed als verdampt. De gemiddelde verkoopprijs van een Amsterdamse woning is vooral sinds 2013 veel sneller gestegen dan in de rest van het land en ligt nu rond de € 450.000. Tegelijkertijd  nam het aantal sociale huurwoningen tussen 2002 en 2017 af met 30.000. Ook gekrompen is het deel van het inkomen dat overblijft nadat de vaste lasten zijn betaald. Amsterdammers zijn gemiddeld 38% van hun huishoudinkomen kwijt aan wonen, een stijging die helemaal voor rekening komt van huurders. Wat verder krimpt is het aantal vierkante meters dat huizenkopers zich kunnen veroorloven. Vorig jaar kreeg je 54 m² Amsterdamse woning voor drie ton, waar dat in 2009 nog 80 m² was. Ter vergelijking: in Utrecht, dat na Amsterdam de meest gewilde woningmarkt heeft, daalde die oppervlakte van 105 m² naar 85 m².

Ook ruimtelijk is er sprake van groei en krimp tegelijk. Een ‘kosmopolitische zone’ schuift langzaam maar zeker op vanuit het centrum naar omliggende wijken als De Pijp, Oost en Oud-West. Buurtwinkels, de bakker en de slager worden er gestaag vervangen door winkels en horecazaken die zich richten op een trendy, welvarend en vaak ook jong en internationaal publiek. Niet toevallig zijn dit ook de wijken met het grootste aanbod aan Airbnb-adressen in de stad. De kans is veel groter dat een Airbnb-toerist in Amsterdam terechtkomt in een wijk die buiten het centrum ligt dan in het centrum zelf. Een goed voorbeeld is de Kinkerstraat in het stadsdeel West, in de volksmond nog vaak Oud-West genoemd. Van oudsher is het een wat volkse winkelstraat, die niet alleen wordt bezocht door bewoners van de omliggende buurt maar ook klanten trekt van de andere kant van de ring, het deel van de stad dat nu Nieuw-West heet. In de afgelopen jaren is er veel veranderd. Nieuwe burgerrestaurants prijzen hun menu van de dag in het Engels aan op klapborden op het trottoir. De kapper heet er barbershop of hairstylist (men €45, women €50). Naast de Chinese massagesalon, die er al sinds mensenheugenis zit, is de flagship store van een hockeymerk neergestreken. 

Je haalt de nieuwe zaken er gemakkelijk uit. Het is een bepaald soort vormgeving en beeldtaal: spaarzaam en stijlvol ingericht met veel zwart en wit, of juist een stoere uitstraling met houten gevels en gouden letters op de ramen. Cosmopolitan chic. Ook de nieuwe tattooshop en frietzaak, met homemade 100% organic fries, zijn van het gestileerde soort. Naast koffieketens als Coffee Company en Bagels & Beans is er ook nog ruimte voor een Italiaanse koffiezaak die in Rome of Napels niet zou misstaan. Een belangrijke aanjager van de vernieuwing in de Kinkerstraat was de opening in 2014 van De Hallen, de voormalige tramremise die snel uitgroeide tot een van de culturele hot spots van Amsterdam. Vanaf dat moment ging het hard. Niet alleen met de komst van nieuwe winkels en horeca, het werd ook drukker en internationaler. Op straat en op de terrasjes van de koffieketens is Engels steeds vaker de voertaal. In de avond slaat de sfeer om, als de straat verandert in een racebaan voor maaltijdbezorgers.

Temidden van die vernieuwde Kinkerstraat is er nog altijd genoeg over van de oude Kinkerstraat: de geldtransferwinkels en kledingreparateurs, de sieraden- en bruidsmodezaken met een Turkse of Marokkaanse klantenkring. Er is de Ten Katemarkt, waar aan het eind van de dag de ‘mooie aardebeien’ luidkeels worden aangeprezen. En er zijn de ketens die je in elke Nederlandse winkelstraat kunt aantreffen, zoals Action, Blokker en Kruidvat. Het is een mix van volks en trendy, van betaalbaar en prijzig. Nog lang geen 9 straatjes in de grachtengordel, waar tussen de galeries en designwinkels nauwelijks nog een bruinbrood te koop is. Het is ook nog ver verwijderd van het meest toeristische deel van de binnenstad, waar de vertoeristing – met als getuigen  quasi-antieke kaaswinkels en eettenten met Nutellapotten in de etalage als lokkertje - heeft geleid tot de maatregel om nieuwe op toeristen gerichte winkels te verbieden. Maar het is ook een momentopname. De vraag is hoe het verdergaat met de straat als de prijzen van winkelvastgoed blijven stijgen en een wijk als Oud-West nog meer dan nu een voortzetting wordt van de binnenstad. Dat ook een markt geen garantie meer is voor buurtbinding en lage prijzen, laat de Albert Cuypmarkt in De Pijp zien. Daar is de oorspronkelijke koopwaar steeds meer ingeruild voor authentic Dutch stroopwaffles en I love Amsterdam-hoodies.




Hoe snel de verandering kan gaan, bewijst de Postjesweg, die in het verlengde van de Kinkerstraat ligt. Dat was altijd een nóg volksere, zeg maar gerust onooglijke winkelstraat waar je alleen kwam als je er echt moest zijn. In 2016 werden daar 26 winkelpanden verkocht aan een vastgoedbelegger, waarna de hele straat werd vernieuwd. Het heeft geleid tot een vorm van patsboem-gentrificatie. In één klap van de kledinghersteller en de spotgoedkope paprika’s naar de hippe kinderkledingwinkel en de concept store voor koffie en kunst tegelijk. Door de opwaardering van de Kinkerstraat en de Postjesweg is een winkellint van de grachtengordel tot aan de ringweg A10 ontstaan. Shoppers kunnen nu letterlijk de halve stad doorkruisen. Helemaal aan het eind, stuit het winkellint op het Rembrandtpark. Voorbij de ijswinkel met handcrafted  popsicles en het terras van restaurant BarTack met quick breakfast ligt, een beetje verscholen om de hoek, de ‘Huiskamer van Rembrandt’. Het is een knusse en gezinsvriendelijke oase met speelplekken en uitzicht op het park, deels mogelijk gemaakt door crowdfunding onder buurtbewoners. Het laat zien dat gentrificatie kan zorgen voor nieuwe ontmoetingsplekken. Maar wel met prijzen die niet voor iedereen zijn weggelegd: negen en een halve euro voor een werkontbijt met wifi, vier euro voor een schaaltje vers fruit voor de kinderen. Op de achtergrond klinkt het zachte geruis van de ringweg, waarachter het andere, nog grotendeels niet gegentrificeerde Amsterdam ligt. 

Het beeld van Amsterdam als een welvarende en kosmopolitische stad is in de afgelopen jaren steeds sterker geworden. Veranderende buurten heten in de media en op makelaarssites al snel ‘opkomend’ of ‘bruisend’. De verleiding is groot om het oordeel over Amsterdam en ‘de Amsterdammers’ helemaal te laten bepalen door de snelle en zichtbare veranderingen in de stad: duur, trendy en losgezongen van de rest van Nederland. Er gaat geen dag voorbij of de hoofdstad wordt getypeerd, soms grappend en soms venijnig, als elitair en verhipt. Zie de ‘witte wijn drinkende Amsterdamse elite’ waarover premier Mark Rutte eerder dit jaar sprak, toen het over de kosten van de energietransitie ging. De suggestie was, zoals vaker, dat Amsterdammers geen benul hebben van de zorgen van gewone mensen in de rest van het land. Maar als je nuchter naar de cijfers kijkt, blijken de meeste Amsterdammers helemaal niet zo welvarend. In het stadsdeel West, waarin Kinkerstraat en Postjesweg liggen, bestaat nog altijd zo’n 40% van het huizenbestand uit, meestal bescheiden, sociale huurwoningen. Nog eens 31% is een particuliere huurwoning en slechts 29% een koopwoning die door de eigenaar wordt bewoond. Het gestandaardiseerde huishoudinkomen, een betere maat voor welvaart dan het gemiddelde inkomen, lag in 2015  in de Kinkerbuurt op 85,6% van dat in heel Nederland. In het stadsdeel West was dat 94,2% en Amsterdam als geheel lag met 101,1% maar net boven het Nederlands gemiddelde.

In publicaties over gentrificatie ligt de focus vaak op displacement, de verdringing van oude bewoners door nieuwe bewoners. De voorbeelden komen uit New York, San Francisco of Londen, waar de oorspronkelijke buurtbewoners door onbetaalbare huren en huizenprijzen worden verjaagd. Het zijn indrukwekkende verhalen, maar ze zijn niet één-op-één vergelijkbaar met wat er in Nederlandse steden aan de hand is. Het kenmerk van Nederlandse steden is juist dat de meeste bewoners gewoon blijven waar ze zitten. Ze zijn dankzij de sociale huursector beschermd tegen al te grote huurstijgingen. En ook als ze geen sociale huurder zijn, is verhuizen vaak geen optie omdat betaalbare woningen overal in de omgeving schaars zijn. In een stad als Amsterdam zitten grote groepen bewoners eerder ‘vast’ dan dat ze met verdringing worden bedreigd. Fysieke verdringing is dan ook slechts één gevolg van gentrificatie. In gentrificatie-onderzoek is er ook sprake van indirecte verdringing, zoals resource displacement: een verlies van passende en betaalbare voorzieningen en van (potentiële) contacten of klanten in de buurt. Of cultural displacement, waarbij er een gevoel van ‘is dit mijn buurt nog wel?’ optreedt. Het zijn subtielere vormen van verdringing, die vaak pas na langere tijd zichtbaar worden. Ze lijken van toepassing op het groeiende Amsterdam: een prijzige, trendy, jonge en ook steeds vluchtiger stad die zijn vleugels spreidt, ook over wijken waar een groot deel van de bewoners niet rijk, jong, trendy of vluchtig is.



12 december 2018

Liever een buurtmoestuin dan een groene metropool

Het groen in de stad staat zwaar onder druk. In Amsterdam is tussen 2003 en 2016 binnen de ringweg 600 voetbalvelden aan groen verdwenen. Als we zo doorgaan, worden onze steden onleefbaar. Want groen in de omgeving is juist zo belangrijk. Bomen koelen het klimaat, vangen water op en zuiveren de lucht. In een groene omgeving zijn mensen gelukkiger en gezonder, en  de huizen zijn er meer waard. Laten we daarom stoppen met het volbouwen van de stad.

Het bovenstaande is een korte samenvatting van het omslagartikel deze maand in Eigen Huis Magazine, het blad van de vereniging van huiseigenaren
. There are lies, damn lies and statistics, dacht ik bij het lezen. Want je kunt ook feiten noemen die een heel ander beeld laten zien. Zo heeft Amsterdam sinds 2016 een strenge bomenverordening, die voorschrijft dat er voor elke gekapte boom een nieuwe boom wordt teruggeplant. Hoeveel bomen er precies zijn in Amsterdam weet niemand, maar het zijn er waarschijnlijk meer dan ooit. De gemeente beheert 270.000 bomen (allemaal ingetekend naar soort op de bomen-website van de stad). Dat zijn er 100.000 meer dan in 1975. Het werkelijke aantal bomen wordt rond de één miljoen geschat. Wie de stad een beetje kent, weet dat het schrikbeeld van Amsterdam als versteende, onleefbare stad niet klopt. Als er nu één stad goed bezig is met groen, dan is het wel Amsterdam. De grachten zijn al van oudsher omzoomd door bomen, eerst lindes en tegenwoordig vooral iepen, en vanuit de wijken aan de buitenkant van de ringweg kun je overal langs een groen lint het buitengebied in fietsen of wandelen.  

Je kunt op eindeloos veel manieren berekenen hoe groen een stad is. Op Treepedia is van 27 steden gemeten hoeveel procent van de gebouwde omgeving een groen bladerdek heeft. Parken, grasvelden en groene ruimte rond de stad worden niet meegerekend. Op die manier meet je dus echt hoe groen de gebouwde omgeving is. Amsterdam staat met 20,6% op de dertiende plaats. Minder groen dan Oslo of Singapore, maar veel groener dan Londen of Parijs.

Van de 31 grootste steden in Nederland hebben Heerlen, Emmen en Lelystad de meeste vierkante meters groen per woning in de bebouwde kom, blijkt uit een onderzoek van de WUR uit 2014. Utrecht, Haarlem en Leiden bungelen onderaan, Amsterdam staat 23e. Als je zo'n lijstje ziet, zou je bijna zeggen: overal bomen kappen, want hoe minder groen hoe welvarender een stad is en hoe geliefder de woningmarkt. Onzin natuurlijk, maar het laat wel zien dat het veel te simpel is om alleen naar vierkante meters groen te kijken. In Amsterdamse wijken als de Bijlmer en Nieuw-West zijn in de afgelopen vijftien jaar grote lappen groen opgeofferd aan woningbouw. Vaak is daar nieuwer en beter groen voor in de plaats gekomen, zoals het Nelson Mandelapark in de Bijlmer. De nadruk in steden is verschoven naar kleinschalig groen: postzegelparkjes, geveltuintjes, buurtmoestuinen, groene daken. De volgende trend is verticaal groen. In Eindhoven en Utrecht worden torens gebouwd die zijn geïnspireerd op het bosco verticale van architect Stefano Boeri in Milaan. Dat wordt nog een leuke uitdaging straks voor onderzoekers: moet je het meetellen als groen of als gebouwde omgeving?

Trudotoren Eindhoven, artist's impression

Amsterdam, Bos en Lommer

Verdichten en vergroenen in de stad kan dus goed samengaan. Maar Eigen Huis Magazine creëert liever een spookbeeld. ‘Steden tot de laatste vierkante meter volbouwen, zoals Hong Kong, moeten we niet willen’, waarschuwt het blad. Waar moeten die 1 miljoen nog te bouwen huizen voor 2030 dan wel komen? Bij voorkeur buiten de bestaande stadsgrenzen, zegt de Wageningse onderzoeker Robbert Snep in het artikel. Landschapsarchitect Niek Roozen mag het stuk langs dezelfde lijn afsluiten: ‘Als we de gehele Randstad nu eens zien als een grote stad met het Groene Hart als schitterend park middenin, dan heb je de groenste metropool ter wereld’.

Daar komt de vinex-aap uit de mouw. Bouwen in de open ruimte als antwoord op de drukte. Nog meer dun uitgesmeerde verstedelijking, nog meer plekken die alleen met de auto bereikbaar zijn. Nieuwe woonwijken in het buitengebied zijn de droom van een flink deel van bouwend Nederland, vooral van grote ontwikkelaars met grondposities die sinds de vastgoedcrisis van 2008 in de wachtkamer zitten. Er is altijd wel een 'ruimdenkende' architect te vinden die deze lobby van een verhaal voorziet. Gewoon even een andere bril opzetten en jezelf inbeelden dat de Randstad één stad is, klinkt het dan, zo is een weiland niet langer een schaarse open ruimte maar een potentiële bouwkavel waarop we verder kunnen metselen aan onze groene metropool. Zet je hond achterin de auto, rij naar Aarlanderveen en doe alsof je in het Central Park van de Randstad bent.  

Dat er een spanning bestaat tussen bouwen en stedelijk groen begrijpt iedereen. Soms is het écht heel jammer dat volwassen bomen moeten plaatsmaken voor een bouwproject, ook als er nieuw groen voor in de plaats komt. Maar het gevoel dat Nederland een druk en vol land is, komt niet doordat onze steden dichtbevolkt en versteend zijn. Dat zijn ze niet. Amsterdam is een groen dorp onder de wereldsteden, middelgrote steden als Nijmegen en Eindhoven hebben een lagere bevolkingsdichtheid dan slaperige stadjes in Andalusië. Het gevoel van drukte wordt veroorzaakt doordat we de ruimte rond en tussen de steden steeds verder laten dichtslibben. Bouwen in bestaand stedelijk gebied, met slim toevoegen van groen, is de oplossing, niet het probleem.

4 december 2018

Proud to use local products


Als je door de Kinkerstraat loopt, de lange winkelstraat die vanuit de binnenstad dwars door Amsterdam-West snijdt, kun je met gemak zes of zeven verschillende talen opvangen. Aan het ene uiteinde van de straat klinkt soms nasaal Portugees, het gevolg van een clustertje Braziliaanse winkels en horeca. Af en toe hoor je nog Turks of Arabisch, of Nederlands met Amsterdamse tongval, want ondanks de toenemende verhipping heeft de straat haar volks-multiculturele karakter nog niet verloren. Geldtransferwinkels, kledingherstellers en massagesalons staan gebroederlijk naast de Action, de Blokker en het Kruidvat. Naarmate je dichterbij het centrum komt, neemt de kans toe op Frans, Spaans of Italiaans van toeristen.

Er zijn ook dagen waarop Engels de meest gehoorde taal is. Soms met een Amerikaans of Brits accent, maar vaker het internationale Engels dat in gemengde gezelschappen als voertaal dient. Het cliché dat Nederlanders steenkolenengels spreken, gaat in Amsterdam al lang niet meer op. Wat eerder opvalt, is hoe belachelijk goed het Engels van veel jonge Nederlanders is; je moet je best doen om nog een spoortje polderaccent te traceren. Steeds meer restaurants en winkels houden het bij Engels op de krijtborden: ‘We are proud to use local products’. 

Het is vooral hard gegaan sinds de opening in 2014 van De Hallen, de oude tramremise die is verbouwd tot cultureel centrum. Vanaf dat moment is dit deel van Oud-West een verlengstuk van de binnenstad geworden. Zo voelt het ook steeds sterker. Bij de Albert Heijn in de buurt staan plukjes jonge toeristen bij de kassa met kant-en-klaar sandwiches, vertwijfeld kijkend bij de vraag van de kassière of ze een bonuskaart hebben. Er werken Poolse vakkenvullers die je in het Engels moet aanspreken om de weg naar een product te vragen. (Ik was zo verrast dat ik spontaan begon te hakkelen op zoek naar de vertaling van ‘kersen op sap’).

En dan is er natuurlijk AirBnB. In mijn straat in de Baarsjes, een buurt even voorbij de Kinkerstraat, zijn voormalige sociale huurwoningen verkocht door woningcorporaties en met flinke winst doorverkocht (denk aan prijzen van twee-en-halve ton voor 50 vierkante meter, met dakterras mag je er nog een halve ton bijdoen). Daarin mag de eigenaar twee maanden per jaar ‘hotelletje spelen’, al lijkt niemand te controleren of twee maanden ook daadwerkelijk twee maanden is. Het aantal rolkoffers op straat neemt gestaag toe. Onlangs raakte ik in gesprek met de hoofdbewoonster van zo’n pand (of ze de eigenaar is, heb ik niet gevraagd). Het bleek een jonge Roemeense te zijn; goede baan bij een internationaal bedrijf, veel op reis. Het was een leuk gesprek, te leuk om te verpesten met kritiek op AirBnB. Verder dan een wat plagerig "so you are the hotel manager", wat ze wel grappig scheen te vinden, kwam ik niet. Er klonk ook een verontschuldiging die ik vaker had gehoord: ‘Sorry, ik spreek wel een beetje Nederlands, maar ik heb nog geen tijd gehad om het goed te leren’. Intussen dacht ze waarschijnlijk hetzelfde als ik: we redden ons prima met Engels, dus why bother?

Dan hebben we het dus over een heel doorsnee woonbuurtje, dat amper vijftien jaar geleden nog op de lijst van achterstandswijken stond. Verderop, in het echte centrum, is de verengelsing al veel verder gevorderd. Zodra ik de Singelgracht oversteek, krijg ik het gevoel in een soort internationale zone terecht te komen, met steeds meer kroegen, restaurants en winkels waarin Engels de voertaal is. Opeens sta je voor een afweging die een paar jaar geleden nog ondenkbaar leek: zal ik hier Nederlands of Engels praten? Het doet een beetje denken aan Brussel, waar je als Nederlander voortdurend probeert te ontdekken, of te gokken, of een verkoper, serveerster of baliemedewerker Nederlands verstaat.



Het blijft niet bij horeca en winkels. Bij de bezetting in 2015 van het Bungehuis, een gebouw van de Universiteit van Amsterdam, werden de studenten (op hun verzoek) in het Engels toegesproken door burgemeester Eberhard van der Laan. Tijdens de laatste gemeenteraadsverkiezingen voerde de VVD campagne met If you love Amsterdam, vote VVD. Uitgebreid werden de standpunten in het Engels toegelicht op de website, met een nadruk op zaken als internationale scholen en een safe and clean city. Over immigratie en integratie, toch altijd belangrijke speerpunten van de rechts-liberalen, werd opvallend genoeg niets gezegd. Amsterdam is de enige stad op het vasteland van Europa waar je het redt met alleen Engels, zegt horeca-ondernemer Yossi Eliyahoo in een interview in Het Parool dit najaar. De Israeliër, die tien jaar geleden begon in de stad en elf restaurants heeft, verklaart dat hij 'wat woorden' Nederlands kent.

Je kunt het gebruik van Engels gemakkelijk afdoen als iets wat nu eenmaal bij een mini-wereldstad als Amsterdam hoort, iets wat er altijd al is geweest. Maar wat nu als dit iets anders is? Soms gaan ontwikkelingen zo snel dat je nauwelijks doorhebt wat er precies aan de hand is. Dit zou het begin van een nieuw taalgebied kunnen zijn: een zone, het centrum van Amsterdam met uitlopers, waarin Engels gestaag terrein verovert op Nederlands, net zolang tot het één van de voertalen in dat gebied wordt.

Moeten we er iets aan doen? De vraag is volgens mij eerder of we er iets aan kunnen doen. Natuurlijk moet je de woningmarkt reguleren, om te voorkomen dat de stad verandert in een beleggersparadijs vol tijdelijke woningen voor buitenlandse gasten. Je kunt regels bedenken die de verengelsing in het hoger onderwijs aan banden legt, zodat Nederlands behouden blijft als wetenschapstaal. Maar het zal niet voorkomen dat Engelstaligheid in de stad een permanent karakter krijgt. De immigratie van ‘westerse allochtonen', al jaren de snelst groeiende groep in de stad, zal doorgaan. Steeds meer mensen zullen besluiten dat Engels de meest logische taal is om te gebruiken, omdat dat de taal is waarin je jezelf het best verstaanbaar kunt maken. Engels is de gemakkelijkste weg, omdat het voor Nederlanders  eenvoudiger is hun Engels te verbeteren dan voor Engels sprekende niet-Nederlanders om Nederlands te leren, zeker als ze hier tijdelijk zijn. 

Regulering zal altijd achter de feiten aanhollen. Wat nu nog een tegemoetkoming is aan Engelstalige ‘gasten’ in de stad, zal verschuiven naar tweetaligheid. Tot er een punt wordt bereikt waarop het Nederlands een tegemoetkoming zal zijn aan de slinkende groep die daaraan hecht. De achterblijvers. De natives. Dan krijgen we bordjes met ‘Hier wordt Nederlands gesproken’. Of een apart symbool daarvoor, als teken van uitmuntende service.

Overdreven toekomstbeeld? Zo’n vaart zal het niet lopen? Dat dachten veel Brusselaars vast ook toen hun stadgenoten het Vlaams begonnen in te ruilen voor praktisch en statusverhogend Frans.

9 juli 2018

Dutch spoken here - How Amsterdam is becoming a bilingual city


De Kinkerstraat


When you walk through the Kinkerstraat, the long shopping street to the west of the Amsterdam inner city, you can easily catch six or seven different languages. At the western end of the street it can be Portuguese, because of a small cluster of Brazilian shops and bars. It can be Arabic or Turkish, or Dutch in an Amsterdam accent, because despite gentrification the street has not yet lost its working class and multicultural character. Money transfer shops, clothing repairers and massage parlors are mixed with affordable chain stores. As you get closer to the inner city, you will more likely hear the French, Spanish or Italian of tourists.

One thing that is certain in the Kinkerstraat is that you will hear English. Sometimes with an American or British accent, but more often the international English that is the language of choice in mixed groups. Many times it is the Dutch doing the talking. Not any longer in broken English (the famous steenkolenengels or ‘coal English’), because most young Dutch in Amsterdam speak excellent English. More and more restaurants and shops are using only-English chalkboards. 'We are proud to use local products', I once read on one of them.

Things have changed especially fast after the opening in 2014 of De Hallen, the old tram depot that has been converted into a cultural center. From that moment on this part of the Oud-West neighborhood has become an extension of the inner city. In the local supermarkets you will see young tourists with ready made sandwiches, looking puzzled at the cashiers question whether they own a bonus card. Some of the employees are Polish. They can show you the way to a product, but you have to ask them in English. (I was so surprised that I started stammering spontaneously, unable to translate kersen op sap as cherries in syrup).






And then of course there is Airbnb. In my neighborhood De Baarsjes, just to the west of the Kinkerstraat, former social houses have been sold by the housing corporations for relatively low prices and resold for much higher prices, in the range of 250.000 to 300.000 euros for a 50 m2 appartment. According to city policies, the new owners are allowed to let their appartments to guests for two months a year, although nobody seems to check if two months is actually two months. The rattling of trolley cases on the pavement has become a common sound. Recently I was talking to the chief occupant of one of these appartments (I did not ask if she was the owner). A young Romanian, good job at an international company, away for business a big part of the year. It was a nice conversation, too nice to spoil with criticizing Airbnb. I did not go beyond a teasing "So you are the hotel manager?”, which she seemed to think was rather funny. She made an apology that I had heard many times before in Amsterdam: "Sorry, I do speak a little Dutch, but I haven’t had the time to learn it better’. Meanwhile she probably thought the same as I did: we are doing well in English, so why bother about Dutch?

Still, the Baarsjes is nothing fancy, just an ordinary residential quarter that was on the list of deprived neighborhoods only fifteen years ago. Two kilometers to the east, in the inner city, the anglicisation is much more advanced. When I cross the Singel on my bicycle, the canal that encircles the inner city, it feels like entering a kind of international zone, in which an ever growing number of bars, restaurants and shops are using English as the language of preference. Suddenly you are faced with a choice that seemed unthinkable in the past: will I speak Dutch or English here? It is somewhat reminiscent of Brussels, the once Flemish-Dutch speaking city that turned francophone, where as a Dutch visitor it is always a challenging game to figure out whether a shop-assistant, waitress or clerk is part of the Dutch-speaking minority, or at least willing to speak Dutch.

And it's not just shops and bars. During the occupation in 2015 of the Bunge Huis, a building of the University of Amsterdam, the protesting students were (at their request) spoken to in English by mayor Eberhard van der Laan. During the municipal elections in the spring of 2018  the VVD, nationwide the largest party, campaigned with If you love Amsterdam vote VVD. The party's website had a page in English, with an emphasis on issues like international schools and ‘a safe and clean city’. Remarkably there was nothing about immigration and integration, usually important issues for the right-wing liberals. Apparently you are more than welcome as long as you bring money and English; don’t worry about the language, we’ll adapt to you. Amsterdam is the only city in mainland Europe where you just need English to make it, says entrepreneur Yossi Eliyahoo in an interview in local newspaper Het Parool. The Israeli, who started ten years ago in Amsterdam and is the owner of eleven restaurants in the city, admits that he only knows a few words of Dutch. 

The importance of English could easily be dismissed as something that belongs to the pocket-sized metropolis that Amsterdam is, and always has been. But what if this is different? What if this is one of those cases in which things move so fast that it is hard to see what exactly is going on? This could very well be the beginning of a new language area: the center of Amsterdam, with a few extensions, where English is steadily conquering ground, until the area becomes truly bilingual.

Should something be done about it? The question, it seems to me, is if something can be done. There is no doubt the housing market needs regulation to avoid the city turning into an investor’s paradise full of temporary housing. In the academic world efforts should be made to protect Dutch as a scientific language. But it will not prevent the presence of English in the city to get a permanent character. Some of the expats and international students will stay. The immigration of 'foreigners from western countries’, for many years the fastest growing immigrant group in the city, will continue. More people will decide that English is the best language to use, as it is the language in which the greatest number of people will understand what you are saying. It is also the choice that requires the smallest common effort in a mixed population, because learning Dutch is much harder for the non-Dutch than it is for the Dutch to improve their English.

Regulation will always be overtaken by events. What is still a concession to English speaking ‘guests’ in the city, will shift to bilingualism. Until a point is reached where the use of Dutch will be a concession to the shrinking group that has a problem using English. The laggards. The natives. Then we will have signs with ‘Dutch spoken here’, as if it is something special, a symbol of excellent service.

An exaggerated picture of the future? Will not happen? That must have been the thought of many people in Brussels in the 19th century, when their fellow citizens gradually started to replace Flemish with practical and status-enhancing French.

17 oktober 2017

Tuttifruttistraatjes


Drie woorden zijn genoeg voor het antwoord op de vraag waarom we de Amsterdamse grachtengordel mooi vinden: harmonie in verscheidenheid. Elk grachtenpand is anders, maar bij elkaar vormen ze toch een geheel. Het komt doordat de gevels op dezelfde lijn staan, maar ook doordat de variatie in baksteen beperkt blijft tot een aantal kleuren. Net als de vormen van de daken: trap-, klok-, tuit-, hals- en lijstgevels lijken min of meer willekeurig uitgestrooid langs de gracht.

Blijkbaar raakt het aan een universeel idee van schoonheid, zo’n grote verzameling van verschillende vormen binnen vaste grenzen. Des te opvallender is het dat architecten en stedenbouwers het ‘harmonie in verscheidenheid’ principe zo lang aan hun laars hebben gelapt. Kijk je naar de dominante bouwstijlen in de twintigste eeuw – rijtjeshuizen, portiek- en galerijflats – dan is het één en al eenvormigheid.

In de jaren negentig komt er opeens een kentering. In Amsterdam-West, uitgerekend een wijk vol strakke na-oorlogse stedenbouw, mag de Luxemburgse architect Rob Krier een wijkje ontwerpen waarin geen enkel huis hetzelfde is. De woningen in retro-stijl gingen in recordtempo van de hand, wat in die tijd niet vanzelfsprekend was in een achterstandswijk. Het Oostelijk Havengebied, decennialang grimmig en verlaten, werd in dezelfde periode onder leiding van Adriaan Geuze omgetoverd tot een succesvolle woonwijk. Het icoon van de wijk werd het bonte rijtje zelfbouwhuizen aan het water, waarvan er niet één hetzelfde is.  

En nu zie je ze overal. Van vinex-achtige uitbreidingen in het weiland tot woonwijken op verouderde bedrijventerreinen; een nieuwe wijk lijkt niet compleet zonder eigen tuttifruttistraatje. Soms ligt het accent meer op de harmonie en minder op de verscheidenheid. In het pas gebouwde tweede deel van Noorderhof, het ‘Rob Krier-wijkje’, is gespeeld met verschillende raamgroottes maar zijn de kleuren en materialen van de woningen hetzelfde. Op andere plaatsen lijkt ‘hoe bonter hoe beter’ het motto. Dat is bijvoorbeeld het geval op de zelfbouwkavels in IJburg en het nabijgelegen Zeeburgereiland. Er zijn ook straten waar vrije kavels leiden tot een meer harmonieus geheel. Zoals in Buiksloterham in Amsterdam-Noord, waar gebruik is gemaakt van een aantal vaste kleuren en materialen.

Jammer is wel dat het vaak bij een enkele straat of een paar straten blijft, waardoor de vergelijking met de grachtengordel nooit helemaal opgaat. Maar de tuttifruttistraatjes zullen zeker een plek krijgen in de architectuurcanon. Ze zijn een verrijking, als tegenwicht voor de monotonie van veel andere stedenbouw. Het wordt interessant om te zien welke voorbeelden later de meeste aandacht en waardering krijgen; de meest diverse, waarin iedereen helemaal zijn eigen gang mocht gaan, of de straten waarin de stijlen nog enigszins op elkaar zijn afgestemd.

Noorderhof Zuid, Amsterdam-West

Borneo-Sporenburg, Oostelijk Havengebied

IJburg

       
Zeeburgereiland

Buiksloterham, Amsterdam-Noord

Buiksloterham

23 augustus 2017

De burger als inspraak-aapje


Ik mag meedoen aan een wedstrijd. Op de website van het Amsterdamse stadsdeel West lees ik dat je als bewoner stemmen kunt verzamelen voor een plan in de buurt. Elke maand mag de bewoner met de meeste stemmen zijn of haar idee toelichten in een pitch tegenover het stadsdeelbestuur. Dan wordt het idee besproken en als het meezit misschien zelfs uitgevoerd. De Stem van West, heet het.

Nu hou ik best van een wedstrijdje, maar deze laat ik even aan me voorbijgaan. Dat meepraten heb ik al eens gedaan, zo'n twee jaar geleden. Er waren plannen voor een nieuwe inrichting van het Columbusplein. Die zouden, helemaal zoals het hoort, samen met de bewoners tot stand komen. Het begon ermee dat ik midden op het plein in gesprek raakte met een ontwerper, die uit zichzelf een opmerking maakte over de ‘versteendheid’ van het plein. Hé hé, deze snapt het, dacht ik. Het Columbusplein is een grote open ruimte midden in een woonwijk, die intensief wordt gebruikt als speel- en schoolplein. En het grote probleem daarvan is inderdaad die versteendheid. ‘Asfalt is ingezet als het verbindende component’, staat er op de website van het bureau dat het plein in 2007 ontwierp. Alsof ze er trots op zijn. Voor bewoners betekent het dat je ruim uitzicht hebt over een ‘openluchtsporthal’. In de zomer moet je kiezen tussen óf de ramen dichthouden óf het raam een stukje opendoen en daarbij het soms oorverdovende, weerkaatsende geluid van schreeuwende kinderen en jongeren in de huiskamer binnenlaten.

Of het plein als speelplek is geslaagd, daar kun je ook over twijfelen. Wisten de ontwerpers, en hun opdrachtgevers, echt niet dat kinderen fijner spelen op een gevariëerde speelplek met natuurlijke en ‘zachte’ materialen dan op een grijze vlakte met wat speeltoestellen. En uiteraard met het verplichte voetbalgedeelte, waarop overigens zelden in een partijvorm wordt gevoetbald. (In de Volkskrant stond afgelopen zomer een goed artikel over waarom groene speelplekken beter zijn dan grijze). Hadden ze nog nooit gehoord van zaken als akoestiek, hittestress en wateropvang?

Blijkbaar begreep het stadsdeel ook dat er iets moest veranderen. Er kwam een plan voor een nieuwe inrichting, met meer groen. Wat mij betreft ging het nog niet ver genoeg, maar het was tenminste een begin. Eind 2015 bezocht ik de inspraakavond waarop bewoners hun mening konden geven over het plan. Slechts een handvol pleinbewoners was komen opdagen. Was het desinteresse, of was er te weinig aandacht gegeven aan de bijeenkomst? Je moet het ook maar net willen om een vrije avond urenlang in een niet zo heel gezellig wijkgebouwtje door te brengen.

Daarna: niets. Nu al bijna twee jaar. Ja, een rijtje struiken van een halve meter hoog. Het project is vertraagd, maar staat nog steeds in de planning, leert navraag bij het stadsdeel. Maar intussen zijn we dus alweer aanbeland bij het volgende inspraakplan: je idee op een website zetten en dan stemmen verzamelen om het te mogen pitchen in de vergadering van het stadsdeel.

De gewone burger was nog nooit zo geliefd. In woord, tenminste. Het ideaalbeeld dat vaak wordt geschetst, is dat van een samenleving vol actieve en betrokken burgers en een overheid die alleen nog hoeft te ‘faciliteren’. Maar de praktijk is vaak anders. In Binnenlands Bestuur verscheen een ontnuchterende column van Radboud Engbersen, projectleider bij kennisorganisatie Platform31. Bij veel zogenaamde bewonersinitiatieven blijkt de rol van lokale ambtenaren onmisbaar. Soms is het niet helder bij wie het initiatief nu precies lag. Burgers laten meebetalen aan plannen blijkt meestal ook al een illusie. ‘De doe-het-zelf-beweging is veel meer een ambtenarenbeweging dan wordt gesuggereerd’, schrijft Engbersen, ‘laten we daar eerlijk voor uitkomen.’ 

Professionals en bewoners hebben elkaar nodig, maar in het contact tussen die twee is er nogal wat ruis op de lijn. Mijn advies aan lokale overheden: neem bewoners serieus. Behandel ze niet als inspraak-aapjes die voor de goede sier ‘mogen’ meepraten, al dan niet in de vorm van wedstrijdjes. Kijk verder dan je eigen projecten, beleidsagenda en de formele bijeenkomsten die daarbij horen. Daar bereik je misschien een kleine voorhoede mee, maar de meeste mensen hebben er geen tijd voor of zin in. Probeer liever op een laagdrempelige manier met bewoners in contact te komen. Ga naar ze toe, ook naar de grote groep die uit zichzelf niet zo snel van zich laat horen. Beter midden op straat met koffie en thee dan weggestopt in een apart project op internet.

Zo ingewikkeld hoeft dat toch niet te zijn?



1 april 2017

Geodicht



Een beetje stad komt er pas tussen
Met een eigen speldenkussen

Wereldwijd erkend symbool
Van de echte metropool

 Ook Mokum waagt een poging
Tot plaatselijke zelfverhoging

Zo'n mini-versie van Dubai
Is dat nou dik doen aan the Eye?

Wees gerust, want hoor 'ns
Het worden slànke torens


Sluisbuurt, plan van gemeente Amsterdam

Alternatief plan van architect Sjoerd Soeters

2 februari 2017

Kaartlezen (20) - Amsterdam Beach!

Het was vorig seizoen een van de grappigste momenten uit het satirische programma Zondag met Lubach: de Amsterdamse toeristenkaart. Buitenlandse bezoekers willen alleen naar een plek komen die Amsterdam heet, vertelde presentator Arjen Lubach. Dat is vervelend voor Amsterdam, want daar wordt het te druk. En het is ook vervelend voor plekken die geen Amsterdam heten en daardoor juist weinig toeristen trekken. Maar daar heeft de stad nu iets op gevonden: we noemen Zandvoort gewoon Amsterdam Beach. Het lijkt een grap, maar vervolgens komt er daadwerkelijk een kaart in beeld waarop de strook van Lisse tot Aalsmeer Flowers of Amsterdam heet. De Vechtstreek is omgedoopt tot Castles & Gardens of Amsterdam. Het idyllische Waterland - een naam die geen vertaling nodig heeft, zou je denken - is Old Holland.

Het is een kaart die wordt gebruikt door Amsterdam Marketing, de stichting die namens de hele regio het toerisme bevordert. Waren de marketeers nog iets vindingrijker geweest, dan hadden ze de Oostvaardersplassen vast Amsterdam Safari genoemd. Het Amsterdam-thema wordt door de makers van Zondag met Lubach tot in het absurde doorgevoerd. De Drentse hunebedden zijn voortaan de Amsterdam Stones, de Wadden de Amsterdam Islands. Tot een verslaggeefster uiteindelijk met een Amsterdam Globe in de hand staat. Lubach: 'Maar je kunt toch niet zomaar de hele wereld Amsterdam noemen?' Verslaggeefster: 'Waarom niet? Dat deden we in de zeventiende eeuw toch ook?'




Heerlijke geo-satire. Maar ook realiteit. De kaart past bij de ambitie van de regionale bestuurders om toeristen te spreiden over de hele stad, en liefst ook daarbuiten. Dit vermindert niet alleen de drukte in het centrum van Amsterdam, het levert ook veel extra inkomsten op als buitenlandse bezoekers meer zien van de regio en een dagje aanplakken aan hun verblijf. Dus moet het ze zo gemakkelijk mogelijk worden gemaakt; niet voor niets heet het Station Koog-Zaandijk sinds kort Station Zaandijk-Zaanse Schans. Zo'n kaart die de hele regio laat zien, toont ook aan hoe de functie van toeristenkaarten verschuift van neutraal en informatief naar sturend en lokkend. Dankzij Google Maps was het nog nooit zo gemakkelijk om je weg te vinden, en informatie over potentiële bestemmingen is ook overal beschikbaar. Juist die overvloed kan de reisconsument overweldigen. Waar wil hij heen, waar mòet hij heen in die twee - of toch maar drie? - dagen Amsterdam? Een kaart als die van Amsterdam Marketing trekt de ogen van de bezoeker naar de regio, laat duidelijk de verbindingen zien, en suggereert op handige wijze dat een bezoek aan het Muiderslot - pardon: Amsterdam Castle - net zo goed bij het totaalpakket hoort als het Van Gogh Museum en een rondvaart door de grachten.

En verzint dus compleet nieuwe namen. De vraag is hoe ver je daar in moet gaan. Toeristen op weg helpen met fantasienamen is één ding, maar wat als een nieuwe naam gaat concurreren met de oude? Een deel van Amsterdam-West mogen we sinds kort 'het Hallenkwartier' noemen, naar de tot uitgaanscentrum verbouwde tramremise De Hallen. Het staat op de straatnaambordjes, waarmee het een officiëel tintje krijgt. Een staaltje buurtmarketing, afgekeken van 'de negen straatjes' in de grachtengordel, die als the nine little streets inmiddels alle reisgidsen hebben gehaald. Onder bewoners zorgde de plotselinge naamsverandering voor nogal wat irritatie. 'Hallenkwartier? Het is hier gewoon de Kinkerbuurt!'














Verschenen in Geografie, februari 2017
www.geografie.nl

15 mei 2016

De wandelstad van 1927

De gordel '20-'40

Het leuke van steden is dat je ze kunt pellen als een ui. De kern is de historische binnenstad, daaromheen liggen alle lagen die er in de loop der jaren zijn bijgekomen. Amsterdam is een gaaf voorbeeld van zo'n ui-stad. Vanuit het middeleeuwse centrum kom je achtereenvolgens door de grachtengordel, de negentiende-eeuwse wijken, de ring '20-'40 en de na-oorlogse tuinsteden, om te eindigen op een kantorenpark, bedrijventerrein of laagbouwwijk die overal had kunnen staan. De beroemdste van die Amsterdamse ringen is ongetwijfeld de grachtengordel. Maar de ring '20-'40 is minstens zo uniek. Het zijn de wijken waar de architectuur van de Amsterdamse School is te vinden, zoals de Baarsjes, Nieuw-Zuid (ook het Olympisch Stadion is Amsterdamse School) en de Spaarndammerbuurt.

Kenmerkend voor de bouwstijl is dat de huizenblokken als een geheel zijn ontworpen. Vaak als een soort kastelen, met poortjes, kantelen, gebeeldhouwde en gemetselde ornamenten en verhogingen op de hoeken. Het ronde metselwerk schijnt heel moeilijk en tijdrovend te zijn, vandaar waarschijnlijk dat je het tegenwoordig nog maar weinig ziet en dat pogingen om de Amsterdamse School te imiteren, bijvoorbeeld in vinexwijken, er vaak te 'hoekig' uitzien vergeleken bij het origineel. De Amsterdamse School was niet alleen een architectuurstijl maar ook een idealistische stroming. De opkomst viel samen met de bloei van de arbeidersbeweging en de woningbouwverenigingen. De ordelijke, ruim opgezette wijken moesten een gezond alternatief bieden voor uitpuilende arbeiderswijken als de Jordaan en de Pijp.

Dit jaar wordt het honderdjarig bestaan van de Amsterdamse School gevierd. Voor de gelegenheid ging ik met twee foto's uit 1927 de straat op - de Hoofdweg in de Baarsjes om precies te zijn - om een foto vanuit hetzelfde standpunt te maken. Dat was niet moeilijk, want aan het uiterlijk van de gebouwen is weinig veranderd. Wat dat betreft heeft de Amsterdamse School de tand des tijds goed doorstaan. De grootste verandering ligt in de ruimte eromheen.



Toen ik de foto's thuis nog eens goed bekeek, kreeg ik opeens heel veel zin om een wandeling in 1927 te maken. Bij de eerste foto, op de hoek Hoofdweg-Willem Schoutenstraat, moest ik voor het juiste perspectief op het fietspad gaan staan. Van de brede, beklinkerde stoep uit de begintijd van de straat is bijna niets meer over: opgeofferd aan fietspad en fietsenrek. De klinkers op de rijweg zijn asfalt geworden. Op de tweede foto, op het drukke kruispunt Hoofdweg- Jan van Galenstraat, is de verandering nog groter. Bijna niet te geloven dat dit dezelfde plek is. Van een simpel bakstenen straatprofiel met sierlijke lantaarnpalen in 1927 naar een wirwar van verkeersborden, tramleidingen, stoplichten en verkeersheuvels in 2016. De zichtlijn naar de zuidtoren op het Mercatorplein is voor een flink deel verdwenen. Fietsers reden nog gewoon op de rijweg, die ze dan ook helemaal voor zichzelf hadden. Ook hier waren de stoepen breder dan ze tegenwoordig zijn. Het kan een toevallige momentopname zijn, maar het lijkt of er op beide oude foto's meer mensen op straat lopen dan op de nieuwe.

Het is toch een wat ongemakkelijke conclusie - zeker voor een fietschauvinist als ik - dat de fiets minstens zo'n grote verandering heeft gebracht als de auto. We zijn het bijna vanzelfsprekend gaan vinden om te zeggen dat de auto de grote boosdoener is in de openbare ruimte. Je krijgt een betere stad als je ruimte geeft aan de fiets, dat staat niet eens meer ter discussie. Maar als je de oude en nieuwe foto's vergelijkt, wordt het moeilijk om vol te houden dat je er ook een mooiere stad van krijgt. De eenvoudige schoonheid van de Amsterdamse School kwam beter tot zijn recht in de wandelstad van 1927 dan in de fiets- en autostad van 2016.


                             

10 maart 2016

Mag het wat minder keurig?

Op Twitter zag ik de plannen voorbijkomen voor de Kinkerstraat en Ferdinand Bolstraat. Twee belangrijke winkelstraten vlak buiten het centrum van Amsterdam die in een nieuw jasje worden gestoken, de een in Oud-West en de ander in de Pijp. Ik sloeg niet echt steil achterover van de plaatjes. Het is min of meer hoe alle straten er uitzien nadat ze zijn aangepakt: rode klinkers op de stoepen, aparte fietsstroken, minder of helemaal geen ruimte voor de auto, minder geparkeerde auto's en fietsen in het straatbeeld, het groen keurig gerangschikt in bakken. Denk de winkels met geinige namen er zelf bij - de jongste aanwinst in mijn buurt is T.I.T.S. (This Is The Shit), een meisjesspullenzaak met boyfriend corner - en je hebt de moderne stadsstraat anno 2016.

Het meest kenmerkend zijn toch wel die rode klinkers. Blijkbaar zit er ergens een ontwerpdictator op een onzichtbare troon die heeft bepaald dat 'kwaliteit' synoniem is aan rood baksteen, want je ziet ze overal: van Vinexwijken tot stadscentra tot opgeknapte winkelstraten in historische stadjes. En dus ook in kosmopolitisch Amsterdam, waar de gemeente de looproute vanaf het Centraal Station door de binnenstad langs de toeristische highlights heeft omgedoopt tot de Rode Loper.

In het noordelijk deel van de Ferdinand Bolstraat, het laatste stukje van de Rode Loper, is de beeldtaal zo ver doorgevoerd dat ook de fietspaden rode klinkers krijgen. Dat wordt nog wat met buitenlandse gasten die het verschil niet zien tussen het fietspad en de stoep. Of liever het stoepje, want na aanleg van de vrije fietspaden blijft er voor de voetganger een akelig smal paadje over. Net als in de Kinkerstraat trouwens; kijk eens naar de plantenbak op het plaatje en probeer je voor te stellen daar langs te moeten met een kinderwagen of scootmobiel op een drukke zaterdagmiddag. Vaak worden voetganger en fietser in één adem genoemd, maar het is duidelijk wie van die twee de echte koning is in Amsterdam.

Ferdinand Bolstraat (noordelijk deel), ontwerp

Kinkerstraat (oostelijk deel). ontwerp

Dit is dus de stad die je krijgt na veertig jaar terugdringen van de auto en voorrang geven aan de fiets. Vanzelfsprekend is er veel gewonnen; er zijn minder ernstige verkeersongelukken, de lucht is schoner en er zijn meer speelplekken in de stad dan vroeger. Maar volgens mij is er ook iets verloren gegaan. Noem het een grotestadsgevoel. Neem nu de Overtoom in Oud-West; voor hij werd vernieuwd vond ik dat altijd een bijzondere straat, met die brede trottoirs omzoomd door dikke bomen. Een echte stadsboulevard met voortjakkerend autoverkeer, een beetje Parijs in Amsterdam. Fietsen was er geen pretje, maar dat gaf niets want dat kon ook prima door het Vondelpark of door de Eerste Helmersstraat, die allebei parallel lopen aan de Overtoom. Eigenlijk is de Wibautstraat nog de enige echte stadsboulevard in Amsterdam. Ook die heeft een vernieuwingsbeurt gekregen, maar is gelukkig breed genoeg om een grootstedelijke uitstraling te houden. Ik heb hem altijd mooi van lelijkheid gevonden, ook in de jaren waarin hij steevast werd verkozen tot lelijkste straat van de stad.

Misschien zijn er nu mensen die vinden dat ik niet moet zeuren. Dat ik eens goed moet kijken naar foto's uit de jaren zeventig en tachtig die een chaotisch straatbeeld vol autoblik laten zien, in een stad die daar niet op is gebouwd. En trouwens, ik ben toch zelf ook fietser? Klopt allemaal, maar toch heb ik gemengde gevoelens bij de manier waarop de stad wordt verbeterd. Het is zo intens keurig. Zo eenvormig ook, alsof de ontwerpen allemaal uit dezelfde mal komen. Is dit echt het enige model voor de leefbare stad, of kun je die ook krijgen zonder roodbeklinkerde dorpsstoepjes en houten plantenbakken?

Volgens mij ben ik niet de enige die er last van heeft. Want die plotselinge liefdesverklaring aan Rotterdam die je overal hoort - ook, of zelfs juist, van Amsterdammers - komt die niet ook een beetje omdat 'nultien' nog wél het grotestadsgevoel heeft? Omdat daar nog veel straten zijn waar je bent omgeven door auto's en kille kantoorkolossen? Plekken die misschien niet voldoen aan een ideaalbeeld van leefbaarheid, maar waar je je nog wel ouderwets aangenaam lost in the city kunt voelen?

26 januari 2016

Spijtverhuizers

Ontregelend nieuws in Het Parool afgelopen weekend: het aantal huizenkopers dat Amsterdam verlaat, is al sinds 2010 gestaag aan het stijgen. In sommige randgemeenten is de helft van de nieuwe kopers Amsterdammer, in de populairste uitwijkplaats Amstelveen een derde. Makelaars uit Haarlem openen al kantoren in de hoofdstad om kopers te begeleiden naar Kennemerland, en ook Zaanstad en Weesp zitten in de lift. In alle tien onderzochte randgemeenten steeg vorig jaar het aandeel Amsterdammers onder de nieuwe woningkopers.

Het artikel lijkt wat te wringen met de vele juichverhalen waarin wordt verteld dat Amsterdam groeit als kool, dat de stad geliefder is dan ooit tevoren en dat 'kleiner wonen' de nieuwste trend is. Dus wat moeten we hier nu mee? Het zijn cijfers waar je verschillende kanten mee op kunt. Je kunt ze zien als een bewijs dat, ondanks de groeiende populariteit van de stad, veel mensen nog altijd de voorkeur geven aan een suburbane woonomgeving. Niks bijzonders aan de hand; die vertrekkers maken gewoon de uitruil tussen prijs, woninggrootte en locatie die kopers altijd maken. Het traditionele overloopmodel, waarin Amstelveen, Haarlem en Zaanstad dan nu de plaats hebben ingenomen van oudere overloopgemeenten als Almere en Purmerend.

Je kunt de toenemende stadsvlucht ook zien als een bewijs dat de woningprijzen in Amsterdam zo uit de hand zijn gelopen dat steeds meer gezinnen de stad worden uitgedrukt. In het Parool-artikel zegt een makelaar: 'Maar het allerliefst willen mensen toch in Amsterdam blijven wonen. Dat horen we toch wel erg vaak.' Een quote van een andere makelaar maakt duidelijk dat 'in Amsterdam' voor velen nog steeds 'binnen de ring' betekent: 'Besluiten Amsterdammers buiten de Ring te kijken, dan blijken IJburg, Nieuw-West en Zuidoost vaak geen optie, en willen kopers liever naar een plaats als Haarlem.' 

Blijkbaar zijn er dus veel spijtverhuizers die met pijn in het hart vertrekken en is tegelijkertijd de helft van de stad, als je Noord rekent tot de wijken buiten de ring, geen optie voor ze. Daarom is deze uittocht geen business as usual. Dit gaat niet alleen over huizenprijzen, vierkante meters en de afstand tot de stad. Dit gaat ook over emoties en verwachtingen, over het beeld dat mensen hebben van de stad en van de afzonderlijke wijken.

Door welke gevoelens laten huizenzoekers zich leiden? Waarom willen zoveel mensen – ondanks de vele nieuwbouw, ondanks de lagere prijzen – niet in wijken als Nieuw-West, Zuidoost, IJburg en Noord wonen? Wat kan de stad doen om ze te behouden? Kan bijvoorbeeld het gemis van een tuin worden opgevangen met grotere buitenruimtes, dakterrassen of speelplekken in de buurt? Welke rol speelt de angst voor 'zwarte scholen'? Zouden meer huizenkopers overwegen om in de stad te blijven als ze de zekerheid hebben dat ze zelf de school van hun kinderen mogen uitkiezen? Naar dat soort vragen zou ik wel eens een goed onderzoek willen zien.  

Kolenkitbuurt, Nieuw-West. Huizenkopers kiezen liever voor randgemeenten dan voor Amsterdamse wijken buiten de ring