12 januari 2019
28 december 2018
Geodicht
Het stof van hete kolen
Ligt in Hollands lucht verscholen
Schone stroom, we willen wel
Maar 't veranderen gaat niet snel
Ligt in Hollands lucht verscholen
Schone stroom, we willen wel
Maar 't veranderen gaat niet snel
In de duurzame karavaan
Lopen we bijna achteraan
Lopen we bijna achteraan
Hoewel, per vierkante kilometer
Doen we het een heel stuk beter
De molens te groot, het land te klein
Wie maalt de vergroening fijn?
De molens te groot, het land te klein
Wie maalt de vergroening fijn?
12 december 2018
Liever een buurtmoestuin dan een groene metropool
Het groen in de stad staat zwaar onder druk. In Amsterdam is
tussen 2003 en 2016 binnen de ringweg 600 voetbalvelden aan groen verdwenen. Als we zo doorgaan, worden onze steden
onleefbaar. Want groen in de omgeving is juist zo belangrijk. Bomen koelen het
klimaat, vangen water op en zuiveren de lucht. In een groene omgeving zijn
mensen gelukkiger en gezonder, en de huizen zijn er meer waard. Laten we daarom stoppen met het volbouwen van de stad.
Het bovenstaande is een korte samenvatting van het omslagartikel deze maand in Eigen Huis Magazine, het blad van de vereniging van huiseigenaren. There are lies, damn lies and statistics, dacht ik bij het lezen. Want je kunt ook feiten noemen die een heel ander beeld laten zien. Zo heeft Amsterdam sinds 2016 een strenge bomenverordening, die voorschrijft dat er voor elke gekapte boom een nieuwe boom wordt teruggeplant. Hoeveel bomen er precies zijn in Amsterdam weet niemand, maar het zijn er waarschijnlijk meer dan ooit. De gemeente beheert 270.000 bomen (allemaal ingetekend naar soort op de bomen-website van de stad). Dat zijn er 100.000 meer dan in 1975. Het werkelijke aantal bomen wordt rond de één miljoen geschat. Wie de stad een beetje kent, weet dat het schrikbeeld van Amsterdam als versteende, onleefbare stad niet klopt. Als er nu één stad goed bezig is met groen, dan is het wel Amsterdam. De grachten zijn al van oudsher omzoomd door bomen, eerst lindes en tegenwoordig vooral iepen, en vanuit de wijken aan de buitenkant van de ringweg kun je overal langs een groen lint het buitengebied in fietsen of wandelen.
Het bovenstaande is een korte samenvatting van het omslagartikel deze maand in Eigen Huis Magazine, het blad van de vereniging van huiseigenaren. There are lies, damn lies and statistics, dacht ik bij het lezen. Want je kunt ook feiten noemen die een heel ander beeld laten zien. Zo heeft Amsterdam sinds 2016 een strenge bomenverordening, die voorschrijft dat er voor elke gekapte boom een nieuwe boom wordt teruggeplant. Hoeveel bomen er precies zijn in Amsterdam weet niemand, maar het zijn er waarschijnlijk meer dan ooit. De gemeente beheert 270.000 bomen (allemaal ingetekend naar soort op de bomen-website van de stad). Dat zijn er 100.000 meer dan in 1975. Het werkelijke aantal bomen wordt rond de één miljoen geschat. Wie de stad een beetje kent, weet dat het schrikbeeld van Amsterdam als versteende, onleefbare stad niet klopt. Als er nu één stad goed bezig is met groen, dan is het wel Amsterdam. De grachten zijn al van oudsher omzoomd door bomen, eerst lindes en tegenwoordig vooral iepen, en vanuit de wijken aan de buitenkant van de ringweg kun je overal langs een groen lint het buitengebied in fietsen of wandelen.
Je kunt op eindeloos veel manieren berekenen hoe groen een stad is. Op Treepedia is van 27 steden gemeten hoeveel procent van de gebouwde omgeving
een groen bladerdek heeft. Parken, grasvelden en groene ruimte rond de stad
worden niet meegerekend. Op die manier meet je dus echt hoe groen de gebouwde
omgeving is. Amsterdam staat met 20,6%
op de dertiende plaats. Minder groen dan Oslo of Singapore, maar veel groener dan Londen of Parijs.
Van de 31 grootste steden in Nederland hebben Heerlen, Emmen en Lelystad de meeste vierkante meters
groen per woning in de bebouwde kom, blijkt uit een onderzoek van de WUR uit 2014. Utrecht, Haarlem en Leiden bungelen onderaan, Amsterdam staat 23e. Als je zo'n lijstje ziet, zou je bijna zeggen: overal bomen kappen, want hoe minder groen hoe welvarender een stad is en hoe geliefder de woningmarkt. Onzin natuurlijk, maar het laat wel zien dat het veel te simpel is om alleen naar
vierkante meters groen te kijken. In Amsterdamse wijken als de Bijlmer en Nieuw-West zijn in de afgelopen vijftien jaar grote lappen groen opgeofferd aan woningbouw. Vaak is daar nieuwer en beter groen voor in de
plaats gekomen, zoals het Nelson Mandelapark in de Bijlmer. De nadruk in steden
is verschoven naar kleinschalig groen: postzegelparkjes, geveltuintjes,
buurtmoestuinen, groene daken. De volgende trend is verticaal groen. In
Eindhoven en Utrecht worden torens gebouwd die zijn geïnspireerd op het bosco verticale van architect
Stefano Boeri in Milaan. Dat wordt nog een leuke uitdaging straks voor onderzoekers: moet je het meetellen als groen of als gebouwde omgeving?
![]() |
| Trudotoren Eindhoven, artist's impression |
![]() |
| Amsterdam, Bos en Lommer |
Verdichten en vergroenen in de stad kan dus goed samengaan. Maar
Eigen Huis Magazine creëert liever een spookbeeld. ‘Steden tot de laatste vierkante meter
volbouwen, zoals Hong Kong, moeten we niet willen’, waarschuwt het blad. Waar moeten die 1 miljoen
nog te bouwen huizen voor 2030 dan wel komen? Bij voorkeur buiten de bestaande stadsgrenzen, zegt de Wageningse onderzoeker
Robbert Snep in het artikel. Landschapsarchitect Niek Roozen mag het stuk langs dezelfde lijn afsluiten: ‘Als we de gehele
Randstad nu eens zien als een grote stad met het Groene Hart als schitterend
park middenin, dan heb je de groenste metropool ter wereld’.
Daar komt de vinex-aap uit de mouw. Bouwen in de
open ruimte als antwoord op de drukte. Nog meer dun uitgesmeerde verstedelijking, nog
meer plekken die alleen met de auto bereikbaar zijn. Nieuwe woonwijken in het buitengebied zijn de droom van een flink deel van bouwend Nederland, vooral
van grote ontwikkelaars met grondposities die sinds de vastgoedcrisis van 2008 in
de wachtkamer zitten. Er is altijd wel een 'ruimdenkende' architect te vinden die deze lobby van een verhaal voorziet. Gewoon even een andere bril opzetten en jezelf inbeelden dat de Randstad één
stad is, klinkt het dan, zo is een weiland niet langer een schaarse open ruimte maar een
potentiële bouwkavel waarop we verder kunnen metselen aan onze groene metropool. Zet je hond achterin de auto, rij naar Aarlanderveen en doe alsof je in het Central Park van de Randstad bent.
Dat er een spanning bestaat tussen bouwen en stedelijk groen begrijpt iedereen. Soms is het écht heel jammer dat volwassen bomen moeten plaatsmaken voor een bouwproject, ook als er nieuw groen voor in de plaats komt. Maar het gevoel dat Nederland een druk en vol land is, komt niet doordat onze steden dichtbevolkt en versteend zijn. Dat
zijn ze niet. Amsterdam is een groen dorp onder de wereldsteden, middelgrote steden als Nijmegen en Eindhoven hebben een lagere bevolkingsdichtheid dan slaperige stadjes in Andalusië. Het gevoel van drukte wordt veroorzaakt doordat we de ruimte rond en tussen de steden steeds verder laten dichtslibben. Bouwen
in bestaand stedelijk gebied, met slim toevoegen van groen, is de oplossing, niet het
probleem.
4 december 2018
Proud to use local products
Als je door de Kinkerstraat loopt, de lange winkelstraat die vanuit de binnenstad dwars door Amsterdam-West snijdt, kun je met gemak zes of zeven verschillende talen opvangen. Aan het ene uiteinde van de straat klinkt soms nasaal Portugees, het gevolg van een clustertje Braziliaanse winkels en horeca. Af en toe hoor je nog Turks of Arabisch, of Nederlands met Amsterdamse tongval, want ondanks de toenemende verhipping heeft de straat haar volks-multiculturele karakter nog niet verloren. Geldtransferwinkels, kledingherstellers en massagesalons staan gebroederlijk naast de Action, de Blokker en het Kruidvat. Naarmate je dichterbij het centrum komt, neemt de kans toe op Frans, Spaans of Italiaans van toeristen.
Er zijn ook dagen waarop Engels de meest gehoorde taal is. Soms met een Amerikaans of Brits accent, maar vaker het internationale Engels dat in gemengde gezelschappen als voertaal dient. Het cliché dat Nederlanders steenkolenengels spreken, gaat in Amsterdam al lang niet meer op. Wat eerder opvalt, is hoe belachelijk goed het Engels van veel jonge Nederlanders is; je moet je best doen om nog een spoortje polderaccent te traceren. Steeds meer restaurants en winkels houden het bij Engels op de krijtborden: ‘We are proud to use local products’.
Het is vooral hard gegaan sinds de opening in 2014 van De Hallen, de oude tramremise die is verbouwd tot cultureel centrum. Vanaf dat moment is dit deel van Oud-West een verlengstuk van de binnenstad geworden. Zo voelt het ook steeds sterker. Bij de Albert Heijn in de buurt staan plukjes jonge toeristen bij de kassa met kant-en-klaar sandwiches, vertwijfeld kijkend bij de vraag van de kassière of ze een bonuskaart hebben. Er werken Poolse vakkenvullers die je in het Engels moet aanspreken om de weg naar een product te vragen. (Ik was zo verrast dat ik spontaan begon te hakkelen op zoek naar de vertaling van ‘kersen op sap’).
En dan is er natuurlijk AirBnB. In mijn straat in de Baarsjes, een buurt even voorbij de Kinkerstraat, zijn voormalige sociale huurwoningen verkocht door woningcorporaties en met flinke winst doorverkocht (denk aan prijzen van twee-en-halve ton voor 50 vierkante meter, met dakterras mag je er nog een halve ton bijdoen). Daarin mag de eigenaar twee maanden per jaar ‘hotelletje spelen’, al lijkt niemand te controleren of twee maanden ook daadwerkelijk twee maanden is. Het aantal rolkoffers op straat neemt gestaag toe. Onlangs raakte ik in gesprek met de hoofdbewoonster van zo’n pand (of ze de eigenaar is, heb ik niet gevraagd). Het bleek een jonge Roemeense te zijn; goede baan bij een internationaal bedrijf, veel op reis. Het was een leuk gesprek, te leuk om te verpesten met kritiek op AirBnB. Verder dan een wat plagerig "so you are the hotel manager", wat ze wel grappig scheen te vinden, kwam ik niet. Er klonk ook een verontschuldiging die ik vaker had gehoord: ‘Sorry, ik spreek wel een beetje Nederlands, maar ik heb nog geen tijd gehad om het goed te leren’. Intussen dacht ze waarschijnlijk hetzelfde als ik: we redden ons prima met Engels, dus why bother?
Dan hebben we het dus over een heel doorsnee woonbuurtje, dat amper vijftien jaar geleden nog op de lijst van achterstandswijken stond. Verderop, in het echte centrum, is de verengelsing al veel verder gevorderd. Zodra ik de Singelgracht oversteek, krijg ik het gevoel in een soort internationale zone terecht te komen, met steeds meer kroegen, restaurants en winkels waarin Engels de voertaal is. Opeens sta je voor een afweging die een paar jaar geleden nog ondenkbaar leek: zal ik hier Nederlands of Engels praten? Het doet een beetje denken aan Brussel, waar je als Nederlander voortdurend probeert te ontdekken, of te gokken, of een verkoper, serveerster of baliemedewerker Nederlands verstaat.
Het blijft niet bij horeca en winkels. Bij de bezetting in 2015 van het Bungehuis, een gebouw van de Universiteit van Amsterdam, werden de studenten (op hun verzoek) in het Engels toegesproken door burgemeester Eberhard van der Laan. Tijdens de laatste gemeenteraadsverkiezingen voerde de VVD campagne met If you love Amsterdam, vote VVD. Uitgebreid werden de standpunten in het Engels toegelicht op de website, met een nadruk op zaken als internationale scholen en een safe and clean city. Over immigratie en integratie, toch altijd belangrijke speerpunten van de rechts-liberalen, werd opvallend genoeg niets gezegd. Amsterdam is de enige stad op het vasteland van Europa waar je het redt met alleen Engels, zegt horeca-ondernemer Yossi Eliyahoo in een interview in Het Parool dit najaar. De Israeliër, die tien jaar geleden begon in de stad en elf restaurants heeft, verklaart dat hij 'wat woorden' Nederlands kent.
Je kunt het gebruik van Engels gemakkelijk afdoen als iets wat nu eenmaal bij een mini-wereldstad als Amsterdam hoort, iets wat er altijd al is geweest. Maar wat nu als dit iets anders is? Soms gaan ontwikkelingen zo snel dat je nauwelijks doorhebt wat er precies aan de hand is. Dit zou het begin van een nieuw taalgebied kunnen zijn: een zone, het centrum van Amsterdam met uitlopers, waarin Engels gestaag terrein verovert op Nederlands, net zolang tot het één van de voertalen in dat gebied wordt.
Moeten we er iets aan doen? De vraag is volgens mij eerder of we er iets aan kunnen doen. Natuurlijk moet je de woningmarkt reguleren, om te voorkomen dat de stad verandert in een beleggersparadijs vol tijdelijke woningen voor buitenlandse gasten. Je kunt regels bedenken die de verengelsing in het hoger onderwijs aan banden legt, zodat Nederlands behouden blijft als wetenschapstaal. Maar het zal niet voorkomen dat Engelstaligheid in de stad een permanent karakter krijgt. De immigratie van ‘westerse allochtonen', al jaren de snelst groeiende groep in de stad, zal doorgaan. Steeds meer mensen zullen besluiten dat Engels de meest logische taal is om te gebruiken, omdat dat de taal is waarin je jezelf het best verstaanbaar kunt maken. Engels is de gemakkelijkste weg, omdat het voor Nederlanders eenvoudiger is hun Engels te verbeteren dan voor Engels sprekende niet-Nederlanders om Nederlands te leren, zeker als ze hier tijdelijk zijn.
Regulering zal altijd achter de feiten aanhollen. Wat nu nog een tegemoetkoming is aan Engelstalige ‘gasten’ in de stad, zal verschuiven naar tweetaligheid. Tot er een punt wordt bereikt waarop het Nederlands een tegemoetkoming zal zijn aan de slinkende groep die daaraan hecht. De achterblijvers. De natives. Dan krijgen we bordjes met ‘Hier wordt Nederlands gesproken’. Of een apart symbool daarvoor, als teken van uitmuntende service.
Overdreven toekomstbeeld? Zo’n vaart zal het niet lopen? Dat dachten veel Brusselaars vast ook toen hun stadgenoten het Vlaams begonnen in te ruilen voor praktisch en statusverhogend Frans.
1 oktober 2018
Kaartlezen (33, slot) - Groen-Brittannië
Uitzicht vanaf
een heuveltop over glooiende weiden gescheiden door heggen, hier en daar een
boompartij en in de verte leigrijze rijtjeshuizen. Het is een iconisch beeld
waarvan je meteen weet: dit is ergens in Groot-Brittannië. Of Britse steden
mooi zijn, is een kwestie van smaak, maar de eilanders weten wel hoe ze de
scheiding tussen stad en land moetenbewaren. Ook als je met de trein door het
land reist, valt op dat de overgang tussen de bebouwing en het open landschap
scherper is dan in bijvoorbeeld Nederland. De Britten waren er ook vroeg mee.
De eerste plannen voor een groene bufferzone rond Londen dateren al van de
jaren 1930. Vanaf 1947 is de green belt policy landelijk beleid. Er kwamen groene zones om de steden, waar grootschalige
ontwikkelingen werden tegengehouden. Rond Londen was het doel het uitwaaieren
van de stad te stoppen en woningbouw te concentreren in groeikernen op afstand
van de stad, zoals Luton en Milton Keynes. Op andere plaatsen zorgden ze ervoor
dat steden niet aan elkaar vastgroeiden, zoals rond Manchester, Leeds en
Birmingham. In Engeland is 13% van het grondgebied green belt,
in Wales en Schotland spelen ze een bescheidener rol.
Een
planningssucces en een voorbeeld voor veel andere landen. Maar de green belt is
zijn heilige status aan het verliezen nu een ander probleem zich opdringt: het tekort
aan betaalbare woningen. In kosmopolitisch Londen, maar ook in andere Britse steden
gaan de huizenprijzen door het dak en is een eigen huis vrijwel onbereikbaar
geworden voor mensen met een gemiddeld salaris en zonder eigen vermogen. In
elke Engelse stad heeft de gemiddelde huizenprijs zich in de afgelopen twintig
jaar minimaal verdubbeld. Tegelijkertijd stokt de woningbouw. De green belts
worden steeds vaker als een knellend keurslijf beschouwd. Vanuit economische
hoek, vooral van vrije-markteconomen, was er altijd al kritiek op, omdat de groene
zones de woningmarkt zouden verstoren en beletten dat woningen op de meest
‘logische’ plek komen. Maar ook sommige planners vinden dat er anders naar de
groene gordels moet worden gekeken. De onafhankelijke denktank Centre for Cities
pleit al jaren voor woningbouw in de groene gordels. Britse steden hebben zoveel
meer huizen nodig, dat alleen hoger bouwen in de stad of omvorming van verouderde
industriegebieden (brownfields) niet genoeg is. Door 5% van de
green belts rond tien steden op te offeren aan woningbouw, berekenden de
onderzoekers, kunnen anderhalf miljoen huizen worden gerealiseerd op loopafstand
van stations.
Tegelijk met de discussie over het nut van de green belts is er een vraag naar meer openheid en beschikbaarheid van data. Het tweede kaartje laat zien dat slechts een klein deel van de metropolitane green belt rond Londen voor publiek toegankelijk is (het donkergroene deel). Het ontoegankelijke, lichtgroene deel bestaat vooral uit landbouwgebied, maar ook steeds meer uit bedrijventerreinen, infrastructuur en golfbanen.Grote investeerders kopen er grond, hopend op een waardestijging als dat stuk gebied van bestemming verandert. Het interessante project Who owns England (whoownsengland.org) brengt in kaart wie de grondeigenaars zijn, welke plannen ze hebben en hoe ze lobbyen om die uitgevoerd te krijgen. Als de groene gordel steeds minder groen wordt en de grens tussen stad en land steeds poreuzer, is de gedachte, laat iedereen daar dan over meedenken in een publiek debat.
Verschenen in Geografie, oktober 2018
Abonneren op:
Posts (Atom)








