23 augustus 2017

De burger als inspraak-aapje


Ik mag meedoen aan een wedstrijd. Op de website van het Amsterdamse stadsdeel West lees ik dat je als bewoner stemmen kunt verzamelen voor een plan in de buurt. Elke maand mag de bewoner met de meeste stemmen zijn of haar idee toelichten in een pitch tegenover het stadsdeelbestuur. Dan wordt het idee besproken en als het meezit misschien zelfs uitgevoerd. De Stem van West, heet het.

Nu hou ik best van een wedstrijdje, maar deze laat ik even aan me voorbijgaan. Dat meepraten heb ik al eens gedaan, zo'n twee jaar geleden. Er waren plannen voor een nieuwe inrichting van het Columbusplein. Die zouden, helemaal zoals het hoort, samen met de bewoners tot stand komen. Het begon ermee dat ik midden op het plein in gesprek raakte met een ontwerper, die uit zichzelf een opmerking maakte over de ‘versteendheid’ van het plein. Hé hé, deze snapt het, dacht ik. Het Columbusplein is een grote open ruimte midden in een woonwijk, die intensief wordt gebruikt als speel- en schoolplein. En het grote probleem daarvan is inderdaad die versteendheid. ‘Asfalt is ingezet als het verbindende component’, staat er op de website van het bureau dat het plein in 2007 ontwierp. Alsof ze er trots op zijn. Voor bewoners betekent het dat je ruim uitzicht hebt over een ‘openluchtsporthal’. In de zomer moet je kiezen tussen óf de ramen dichthouden óf het raam een stukje opendoen en daarbij het soms oorverdovende, weerkaatsende geluid van schreeuwende kinderen en jongeren in de huiskamer binnenlaten.

Of het plein als speelplek is geslaagd, daar kun je ook over twijfelen. Wisten de ontwerpers, en hun opdrachtgevers, echt niet dat kinderen fijner spelen op een gevariëerde speelplek met natuurlijke en ‘zachte’ materialen dan op een grijze vlakte met wat speeltoestellen. En uiteraard met het verplichte voetbalgedeelte, waarop overigens zelden in een partijvorm wordt gevoetbald. (In de Volkskrant stond afgelopen zomer een goed artikel over waarom groene speelplekken beter zijn dan grijze). Hadden ze nog nooit gehoord van zaken als akoestiek, hittestress en wateropvang?

Blijkbaar begreep het stadsdeel ook dat er iets moest veranderen. Er kwam een plan voor een nieuwe inrichting, met meer groen. Wat mij betreft ging het nog niet ver genoeg, maar het was tenminste een begin. Eind 2015 bezocht ik de inspraakavond waarop bewoners hun mening konden geven over het plan. Slechts een handvol pleinbewoners was komen opdagen. Was het desinteresse, of was er te weinig aandacht gegeven aan de bijeenkomst? Je moet het ook maar net willen om een vrije avond urenlang in een niet zo heel gezellig wijkgebouwtje door te brengen.

Daarna: niets. Nu al bijna twee jaar. Ja, een rijtje struiken van een halve meter hoog. Het project is vertraagd, maar staat nog steeds in de planning, leert navraag bij het stadsdeel. Maar intussen zijn we dus alweer aanbeland bij het volgende inspraakplan: je idee op een website zetten en dan stemmen verzamelen om het te mogen pitchen in de vergadering van het stadsdeel.

De gewone burger was nog nooit zo geliefd. In woord, tenminste. Het ideaalbeeld dat vaak wordt geschetst, is dat van een samenleving vol actieve en betrokken burgers en een overheid die alleen nog hoeft te ‘faciliteren’. Maar de praktijk is vaak anders. In Binnenlands Bestuur verscheen een ontnuchterende column van Radboud Engbersen, projectleider bij kennisorganisatie Platform31. Bij veel zogenaamde bewonersinitiatieven blijkt de rol van lokale ambtenaren onmisbaar. Soms is het niet helder bij wie het initiatief nu precies lag. Burgers laten meebetalen aan plannen blijkt meestal ook al een illusie. ‘De doe-het-zelf-beweging is veel meer een ambtenarenbeweging dan wordt gesuggereerd’, schrijft Engbersen, ‘laten we daar eerlijk voor uitkomen.’ 

Professionals en bewoners hebben elkaar nodig, maar in het contact tussen die twee is er nogal wat ruis op de lijn. Mijn advies aan lokale overheden: neem bewoners serieus. Behandel ze niet als inspraak-aapjes die voor de goede sier ‘mogen’ meepraten, al dan niet in de vorm van wedstrijdjes. Kijk verder dan je eigen projecten, beleidsagenda en de formele bijeenkomsten die daarbij horen. Daar bereik je misschien een kleine voorhoede mee, maar de meeste mensen hebben er geen tijd voor of zin in. Probeer liever op een laagdrempelige manier met bewoners in contact te komen. Ga naar ze toe, ook naar de grote groep die uit zichzelf niet zo snel van zich laat horen. Beter midden op straat met koffie en thee dan weggestopt in een apart project op internet.

Zo ingewikkeld hoeft dat toch niet te zijn?



29 juli 2017

Geodicht




De groene longen van de aarde
Zijn van grote waarde

Helaas steeds vaker als plantage
Een ecologische ravage

We smeren het vette gevaar
Op ons brood en in ons haar

En bedreigen zo het leven
Van onze vreedzame neven

Kijk dus eens of wat je koopt
Niet nog meer jungle sloopt 



13 juli 2017

Zomerquiz - What's the map?

Een kaartquiz met de opdracht:  raad voor elk van de drie kaarten wat er wordt getoond. Voor wie er niet meteen uitkomt, staat onderaan voor elke kaart een hint, en daaronder de oplossingen.



Kaart 1



Kaart 2




Kaart 3


















Op kaart 1 hebben de ‘rode’ landen iets met elkaar gemeen. Maar wat? De groep lijkt vrij willekeurig samengesteld. Er zijn relatief veel grote landen bij, maar in Europa is Zwitserland de enige vertegenwoordiger (en ook drie dwergstaten, maar die mag je nu gerust even vergeten). Nederland behoort tot de grijze, ‘normale’ landen, al gaat de kaart over iets waarbij juist de Nederlandse situatie internationaal nog wel eens voor verwarring kan zorgen.

De prachtige kaart 2 laat het midden van Japan zien. Het gaat om het lichtpaarse gedeelte, dat onder meer de vlakte bestrijkt waarin Tokio ligt, rechts op de kaart. Op het eerste gezicht lijkt het misschien of de paarse vlekken iets met stedelijkheid hebben te maken. Maar toch is dat niet zo, want als je goed kijkt op de kaart zie je dat ook sommige niet-stedelijke gebieden paars zijn. Een andere aanwijzing is dat de paarse vlekken zich alleen in dit deel van Japan bevinden. Blijkbaar gaat het dus om een verschijnsel waaraan een duidelijke fysieke grens vastzit.

Kaart 3 heeft eigenlijk geen hint nodig. De kaart geeft zelf een duidelijk signaal af waarover hij gaat.



Oplossingen:


7 juli 2017

Ja hoor, weer geen Drent


Ik maakte een grapje op Twitter. De aanleiding was het bekendmaken van de zes deelnemers aan Zomergasten van dit seizoen, en de jaarlijkse discussie daarover. De klachten gingen deze keer over het feit dat er maar twee vrouwen bij waren en over het 'te linkse' gehalte van de selectie. Klagen over Zomergasten is een jaarlijks ritueel, een gezelschapsspel voor de cultureel verantwoorde medemens, een high brow tegenhanger van het gemopper over de selectie van het Nederlands elftal voor een groot toernooi, wanneer er ook altijd klachten zijn over te veel of te weinig spelers van bepaalde clubs.

Ja hoor, weer niemand uit Drenthe erbij #Zomergasten, twitterde ik, als toespeling op dat geklaag. Maar even later begon er toch iets bij me te knagen. Was het eigenlijk wel een grap? Was er in al die seizoenen ooit wel eens iemand langs geweest die werd geboren in Drenthe? Het is gemakkelijk na te gaan op de Wikipedia-pagina over het programma. Alleen de wiki's van Henriette Maassen van den Brink (2003) en Jaap van Heerden (1997) vermelden geen geboorteplaats, en de uit Curaçao afkomstige gast van dit jaar Glenn Helberg had nog geen eigen wiki.

Na ouderwets turven kom ik uit op 84 zomergasten die in het westen van Nederland werden geboren. Dat is meer dan de helft van alle zomergasten. Die westelijke dominantie komt vooral dankzij Amsterdam (29) en Den Haag (13). De drie zuidelijke provincies doen met 19 gasten mee, Oost-Nederland met 12, Noord-Nederland met 8 en België met 13. De wieg van 21 gasten stond buiten Nederland of België, waaronder vier keer in Nederlands-Indië, drie keer in Suriname, drie keer in Duitsland en twee keer in Marokko.

Acht geboren noorderlingen dus. En hoeveel daarvan in Drenthe? Inderdaad, helemaal niemand. Al ging het op eind van het turven, toen ik begon te hopen dat er geen Drent bij was omdat mijn punt anders verloren zou gaan, nog bijna mis; vredesactiviste Sienie Strikwerda, te gast in het eerste seizoen (1988), werd geboren in Musselkanaal, dat net aan de Groningse kant van de Veenkoloniën ligt. De enige andere zomergastloze provincie is Flevoland. Zeeland doet alleen mee dankzij filosoof Ad Verbrugge (2006).

Je kunt je natuurlijk afvragen hoe erg het is. Zomergasten is een programma dat mensen uitnodigt die de top van hun vakgebied hebben bereikt, en Amsterdam en Den Haag brengen blijkbaar meer van dat soort mensen voort dan Drenthe, Limburg, Overijssel of Zeeland. Je kunt betogen dat het juist goed is dat de redactie geen concessies doet aan kwaliteitscriteria; het gaat erom wie je bent en wat je doet, niet om waar je vandaan komt. Daar kun je dan weer tegen inbrengen dat deze geografische verdeling wel erg scheef is, en dat de publieke omroep meer recht zou moeten doen aan de diversiteit van de samenleving. Of dat er genoeg interessante kandidaten van buiten West-Nederland zijn, als je ze maar weet te vinden. Het is dezelfde discussie als over het glazen plafond op de arbeidsmarkt. Of over de ondervertegenwoordiging van Nederlanders uit migrantengroepen bij de politie of in de politiek. 

Maar nooit is er ophef over het feit dat er geen enkele Drent aanwezig is in een gezelschap dat de hele Nederlandse samenleving moet vertegenwoordigen. Misschien kunnen we de vraag 'is er een Drent bij?' als extra check invoeren in het diversiteitsdebat. Niet om dat debat belachelijk te maken of te bagatelliseren, maar om te laten zien dat diversiteit en ondervertegenwoordiging vaak meer dimensies hebben dan je ziet op het eerste gezicht.