28 september 2014

Kaartlezen (2) - Beloopbare steden


In de Verenigde Staten zijn food deserts een bekend fenomeen. Het gaat om stedelijke gebieden waar in een wijde omtrek weinig of geen vers voedsel te koop is. Een schaarste die de leefbaarheid aantast en gezondheidsproblemen als obesitas en diabetes versterkt. De twee kaarten hierboven laten zien in welke delen van New York en Indianapolis je binnen vijf minuten lopen levensmiddelen kunt kopen. Het zijn de steden die het best en het slechtst scoren op de voedselkaart van Walk Score. Slechts 6% van de bewoners in Indianapolis vindt binnen vijf minuten loopafstand vers voedsel. Van de New Yorkers is dat bijna driekwart. Alleen Staten Island, toch altijd een beetje het sufferdje onder de vijf boroughs, vertoont lege plekken. Behalve New York zitten ook San Francisco en Philadelphia boven de 50%, Oklahoma City en Charlotte scoren net als Indianapolis laag. 

Walk Score verzamelt data van loopafstanden naar allerlei voorzieningen. De kaarten zijn interactief, zodat je kunt inzoomen in een gebied en zelf criteria kunt opgeven. Als bijvoorbeeld de grens wordt verschoven van vijf minuten naar een kwartier lopen, heeft 37% van de bewoners van Indianapolis toegang tot vers voedsel. Diverse Amerikaanse steden maken inmiddels gebruik van de gegevens. Zo liet Washington DC in het duurzaamheidsplan voor de stad vastleggen dat minstens driekwart van de bewoners toegang moet krijgen tot ‘gezond en lokaal voedsel’ binnen een kwart mijl (ongeveer 400 meter) van de woning. Ook in Chicago lijkt de trend te keren dankzij de vestiging van nieuwe winkels en introductie van vers voedselafdelingen in drogisterijketen Walgreens – Michelle Obama kwam er speciaal voor op bezoek. 

Het is niet toevallig dat de beloopbare stad juist in de Verenigde Staten in de belangstelling staat. De liefde voor de auto lijkt een beetje bekoeld in het land van de eindeloze voorsteden. De nadelen van almaar uitdijende steden krijgen meer aandacht: bewoners die lange afstanden per auto moeten afleggen om op de plaats van bestemming te komen, waardoor ze minder gezond, minder welvarend en minder gelukkig worden. Geografische data als van Walk Score kunnen helpen om gerichte maatregelen te nemen. 

De compactere Nederlandse steden doen het gemiddeld ongetwijfeld beter dan hun Amerikaanse soortgenoten. Toch kunnen gegevens over afstanden ook voor Nederland relevant zijn. Nu ouderen langer thuis blijven wonen, ook als ze hulpbehoevend zijn, komen er meer inwoners met een kleine actieradius. Daarnaast vertoont het autobezit onder jongeren een dalende trend, waardoor een grotere groep mensen is aangewezen op het openbaar vervoer, de fiets of de benenwagen. Weten we eigenlijk hoeveel Nederlanders het moeten stellen zonder groenteboer of bakker binnen handbereik? 

Verschenen in Geografie, uitgave van het KNAG, oktober 2014

5 september 2014

Neergeplempte stations

Een tijdje geleden was ik op het Science Park in Amsterdam. Het is de plek waar sinds enkele jaren de bètafaculteiten van de UvA zijn geconcentreerd. Er staan bedrijven, kennisinstellingen en datacentra, sommige met internationale faam. En er worden studentenwoningen en appartementen ontwikkeld, zorgvuldig ontworpen en architectonisch fraai. Een topgebied in wording dus. Helaas kan het predikaat 'top' niet op de omgeving van het gelijknamige station worden geplakt. Het is een stationnetje zoals er zoveel zijn, hyperfunctioneel maar kraak noch smaak. Uitstappen aan de kant van het Science Park is onmogelijk, dat moet aan de andere kant, waar een sneu fietsenrekje uit het jaar nul is neergezet voor de reiziger. Die kan door een tunnel naar de plaats van bestemming, over een voetgangersstrook langs het autoverkeer, om bij de entree van het park te worden verwelkomd door een verrijdbare supermarkt en een snackkar. Aan 'programma', zoals dat in plannerstaal zo mooi heet, is hier geen gebrek, maar elke aansluiting tussen de gebouwde omgeving en het station lijkt zoek. 

Herkenbaar, zo'n neergeplempt station. We zijn er gewoon niet zo goed in. En dat in een land waarin een steeds grotere groep mensen, vooral in stedelijke gebieden, kiest voor het openbaar vervoer. De miljardeninvesteringen in OV zijn 'onvoldoende gekoppeld aan een inzet gericht op betere stations en stationsomgevingen', werd onlangs geconstateerd in de rapportage Meer rendement van spoor en stations van het NWO-programma VerDuS (Verbinden van Duurzame Steden). Zo laten we kansen liggen om de kwaliteit van de stad en het stedelijk leven te verbeteren. 

Gelukkig zijn er voorbeelden van regio's waarin een intensievere samenwerking rond stationsgebieden in gang is gezet. Zoals in Noord-Holland, waar overheden, vervoerders en marktpartijen in de 'Zaancorridor' onderzoeken waar de kansen liggen voor ruimtelijke ontwikkelingen in de nabijheid van stations. En ook waar ze niet liggen, want de tijd is voorbij dat ambitieuze bouwprogramma's konden worden uitgerold. Het ideaal van Transit Oriented Development (TOD) in de letterlijke vorm - het op elkaar afstemmen van infrastructuur en ruimtelijke ontwikkeling - is op veel plaatsen moeilijker bereikbaar geworden. De kwaliteit van de stationsomgeving zal daar eerder moeten worden verhoogd met kleinschalige ingrepen dan door grote projecten. 

Hier is een advies aan iedereen die zich bezighoudt met het onderwerp: voer het debat vaker in alledaagse termen. Een begrip als TOD is bruikbaar voor de vakwereld. Maar als zo'n term de status krijgt van planningsconcept, dan moet je oppassen. Dan wordt het al snel iets waarin je kunt 'geloven' of niet. Planningsconcepten kunnen worden bekritiseerd. Of geridiculiseerd, zoals rond TOD nogal eens gebeurt ('Je kunt elk stationsgebied wel vol willen bouwen met woningen en kantoren, maar daar is helemaal geen vraag naar.'). Zo blijft het een gesprek tussen insiders over abstracties. Terwijl er intussen een heel concrete opdracht ligt te wachten: reizen met het openbaar vervoer moet leuker; stations, stationsgebieden en stationsroutes kunnen mooier, beter en aangenamer. 

Beter, leuker, mooier en aangenamer, ook dat zijn natuurlijk subjectieve begrippen. Maar het voordeel is dat iedereen er onmiddellijk een beeld bij heeft. Ook de bèta's op het Science Park, die vast geen idee hebben wat TOD is.



26 augustus 2014

A Gdansk neighborhood turned into an open air gallery

The old town of Gdansk is one of the biggest tourist attractions in Poland. Every year millions of visitors enjoy the beauty of the historic city center. Which is less old than they might think, because a large part of the city was destroyed during World War II and later rebuilt. References to German architecture were replaced with other architectural styles, making the old town look surprisingly like a Dutch or Flemish city. Gdansk is also the city of Solidarnosc, the trade union that challenged the oppression of the communist regime in the 1970s and 1980s. Next to the impressive monument on Solidarity Square is a huge museum with an exterior of weathered steel, a reference to the shipyard where the movement started.

But the city also has an attraction that has not yet been massively discovered. Visitors who like to see something different should go to Zaspa, fifteen minutes by tram from the center. Zaspa would be one of the many rather anonymous high rise neighborhoods of the city, if it wasn´t home for one of the largest collections of murals in the world. They are really huge, the dozens of paintings on the sides of the buildings. Looking out of the tram window the face of Karol Wojtyla, or Pope John Paul II, already shows up in the distance. "Murals are hot in Poland," says Zaspa-inhabitant Jarek Orlowski, one of the local guides who provide free tours. (Because of the large distances a bicycle tour is preferred). "But in most places it remains limited to a few walls. In Zaspa we have built a cohesive collection with an artistic purpose. It is unique in its size, only the city of Lodz has something that comes close." 

The first murals in Zaspa were made around the millennium festivities in Gdansk in 1997. From that moment on the collection steadily grew. Since 2009 there is an annual Festival of Monumental Arts in the city, where mural artists from around the world gather. In 2010, the Gdansk School of Murals was formed, part of the Arts Academy, with the goal to let students and artists present themselves through murals. Political graffiti in Poland has a long tradition, particularly in the years of Solidarity. It is tempting to see the murals as a logical next step, but painting huge works of art on blind walls with the help of scaffoldings is a relatively recent phenomenon, says Orlowski: "The Spanish murales is used because there wasn’t really a Polish word for it. In the beginning it was considered as something exotic. Meanwhile, it has developed into a fully fledged art form. Although some artists who contributed do not want to be labeled as street artists, because they think it will not be perceived as real art."


The images in Zaspa are indeed more than just decorations. They leave something to the imagination, even if they refer to historical events or famous people. In Zaspa you don't see visual jokes like fake cracks in the wall. The murals are more like enlarged pictures from a graphic novel. Only the store rooms at the entrance of the flats are painted with more familiar scenes, such as animals and flowers. This way, they help children and visitors to find their way.

The air strip of the former airport, on which Zaspa was built, is still recognizable between the flats. The murals are a change to the original planning principles: from gray uniformity to multicolored diversity. Just like the Bijlmer - or Amsterdam-South East, as it is called nowadays - Zaspa was a utopian neighborhood, planned in the sixties and largely built in the seventies. And just like the Bijlmer it never became the district the planners had envisioned. Facilities such as shops, schools and playgrounds were lacking long after the blocks for twenty thousand people were already there. "In the past people were not proud to say that they lived in Zaspa," Jarek Orlowski says. "Now much has improved, with more facilities and shops and nice parks with playgrounds. The appartments also got fresh new colors. The positive effect of the murals is that they brought a sense of place to a place that used to be anonymous. Every Zaspa resident is aware that they live in an open air gallery. "

The residents' involvement is not formalized but still present. The festival is the annual highlight, when residents come along with food and meet with the artists. In each building there is a residents cooperation that must approve of a design for a new image. Only once a design has been rejected, an image of a bomber from World War II that was considered too grim. There are still plenty of gray walls in Zaspa. But according to Jarek Orlowski it is not intended that the public space gets 'overcrowded' with murals and at some point in the coming years the collection will be completed.







Before

30 juli 2014

Terras-economie

Grote kans dat u deze zomer op een terras heeft gezeten. In uw eigen woonplaats of in het historische centrum van een buitenlandse stad. Of misschien wel in een spannende pop up kroeg in een buurt die volgens de reisgids nog niet ontdekt was (om ter plekke met twintig verschillende nationaliteiten naar een WK-wedstrijd op een groot scherm te kijken). Zonder terrassen is een stad geen stad. Het terras is de lakmoesproef voor stedelijkheid, het symbool voor de stad als ontmoetingsplek waar mensen elkaar inspireren, tolereren en beconcurreren. Iedereen die beroepsmatig met de stad heeft te maken, is op zijn minst een beetje volgeling van de legendarische Jane Jacobs, die het belang van ontmoeten wetenschappelijk beschreef en met succes strijd voerde tegen plannen om New Yorkse wijken bruut te doorsnijden met autowegen. 
Iedereen? De geograaf Jim Russell noemt het flauwekul dat mensen creatiever en innovatiever worden als ze elkaar maar vaak genoeg in de openbare ruimte ontmoeten. Pseudo science, om precies te zijn. Drukte is weliswaar een kenmerk van steden, maar er is volgens Russell geen empirisch bewijs dat het de productiviteit bevordert. Natuurlijk bestaan er wel clusters van bedrijven en kennis-instellingen waarin talent elkaar versterkt, maar de gebouwde omgeving heeft daar niets mee te maken. 'A quality of place doesn’t make anyone more creative, more innovative. People develop, not places,' schrijft Russell in een van zijn artikelen voor webmagazine Pacific Standard (link). 
Altijd goed om meningen te horen die tegen de stroom ingaan. En helemaal als een verrassing komt het nu ook weer niet. Zo'n tien jaar geleden leek iedereen nog in de ban van de gedachte dat de 'creatieve klasse' de pijler zou worden van een nieuwe stedelijke economie. Ruimte bieden aan jonge en hoogopgeleide bewoners, met een voorkeur voor leefbare en bruisende binnensteden, zou de weg banen naar economisch succes. Inmiddels is wel duidelijk dat het toch iets genuanceerder ligt. Die creatieve klasse bestaat zeker, maar blijkt veel te klein om de kar van de stedelijke economie te trekken. Ook de grondlegger van de creative class theorie, Richard Florida, heeft inmiddels toegegeven dat hij te optimistisch is geweest.

Portland, de lieveling van urbanisten

Maar de eigenzinnige Jim Russell gaat veel verder. Hij wrijft het erin, gebruik makend van data die tegen heersende opvattingen ingaan. Neem nu Portland, de lieveling van alle urbanisten, want hét voorbeeld van een coole en leefbare stad. Een stad die investeert in fietspaden en openbaar vervoer en die als een magneet werkt op jonge en getalenteerde mensen. Maar hoe komt het dan dat Portland economisch slechter presteert dan het gemiddelde in de VS, vraagt Russell zich af. Inmiddels ligt het gemiddeld inkomen er onder het nationale gemiddelde, terwijl het er in 1997 nog vijf procent boven lag. Russells verklaring: cool is geen groeistrategie. Het leefbare Portland is er in de crisisjaren in geslaagd om nieuwe bewoners aan te trekken, maar dat is een tijdelijk succes. Het ontwikkelen van talent is belangrijker, en daarin blijft de stad achter. Portland is een oord geworden voor 'jonge mensen die vroeg met pensioen willen'. De analyse doet denken aan Berlijn, ook zo'n stad die als een creatieve magneet geldt, maar waarvan de aantrekkingskracht bij nadere bestudering vooral op de beschikbaarheid van goedkope woonruimte is gebaseerd. Het 'succesvolle' Berlijn kampt met enorme schulden, veel armoede en een hoge werkloosheid. 
Moeten we dan maar stoppen met investeren in leefbare steden en bruisende ontmoetingsplekken? Dat zou natuurlijk onzin zijn. Maar de kritiek van Russell stemt wel tot nadenken over wat je met ruimtelijke planning wel of niet kan bereiken. Misschien moet je helemaal niet willen bewijzen dat meer leefbaarheid tot meer welvaart leidt. 'Not everything that counts can be counted, and not everything that can be counted counts', schreef Albert Einstein. Een mooie om over na te praten op een terras.

2 juli 2014

De grote sloopshow

Als een echte makelaar prees minister Stef Blok zijn vastgoed aan, op het symposium over herbestemming en transformatie in de Rotterdamse Kunsthal. Kijk eens naar de koepelgevangenis in Haarlem, karaktervol en gunstig gelegen. Het is misschien even wennen aan het idee, maar je zou daar prachtige dingen in kunnen doen. Of het ministerie van Sociale Zaken in Den Haag, pal naast het station Laan van NOI. Eigenlijk had Blok altijd al meer met transformatie dan met nieuwbouw. De prikkelende stelling dat tachtig procent van alle leegstaande gebouwen niet voor herbestemming in aanmerking zal komen - afkomstig van het College van Rijksadviseurs, dat de dag organiseerde - vond hij dan ook 'te somber'. 

En weg was de minister, zoals meestal als een bewindspersoon een bijeenkomst opent. Dat was jammer, want nu miste hij de boeiende lezing van adviseur en (her-) ontwikkelaar Rudy Stroink. Die zei dat de overheid niet alleen moet kijken naar de eigen efficiency maar ook maatschappelijke verantwoordelijkheid moet tonen. We zitten nu al in een te ruime jas, een grote hoeveelheid vrijkomend overheidsvastgoed vergroot de leegstand op andere locaties en laat het wachten op herstel van de vastgoedmarkt langer duren. 

Het vreemde is: iedereen lijkt het eens met de analyse dat we te veel hebben gebouwd, nog los van de vraag hoe groot de voorraad kansloos vastgoed nu precies is, en toch gaat het op zo'n dag opvallend weinig over sloop. Praten over sloop lijkt een beetje taboe. We hebben er zelfs eufemismen voor bedacht: onttrekking, transformatie. Blijkbaar moeten we nog wennen aan het idee dat we in een tijdperk zijn beland waarin krimp niet alleen een bedreiging is, maar ook een bewuste keuze kan zijn. Sloop wordt geassocieerd met pessimisme en mislukking, zie de uitspraak van Blok. Liever laten we de successen van herbestemming zien en benadrukken we de kansen van leegstand. Hergebruik, kleinschaligheid, flexibiliteit en tijdelijkheid zijn de trefwoorden die daarbij horen. Net als een versoepeling van regels, zoals de verruiming van de termijn voor tijdelijk gebruik van vijf naar tien jaar. Zo krijgen nieuwe initiatieven langer de tijd om zich te bewijzen.en kan worden gezocht naar een volwaardige herbestemming.
Pruitt Igoe, St. Louis (1972)
Maar hoe kansrijk zijn al die lege en vrijkomende gebouwen nu echt? Moeten we dat niet scherper definiëren in plaats van alleen de herbestemmingspareltjes te tonen? Tijdelijk gebruik betekent in de praktijk meestal dat de gebruikers te weinig huurinkomsten opbrengen om onderhoud aan het gebouw te kunnen plegen. En al helemaal niet om een transformatie van een heel gebied te helpen financieren. Je ziet ze overal, de halflege of bijna lege gebouwen waarin non-profit stichtingen of creatieven zijn ondergebracht in afwachting van betere tijden. Leuk voor die stichtingen en die creatieven. Maar er komt een moment waarop je je moet afvragen 'is dit een veelbelovende doorstart of verwaarlozing onder toezicht?'. Hoelang mag je blijven filosoferen over de toekomstige gebruiksmogelijkheden van een gebouw (verticale landbouw, energie-opwekking, een klimhal) voor je de conclusie trekt dat het bij filosoferen blijft? 

We weten dat we teveel vierkante meters hebben. We weten dat zelfs de herbestemming van gunstig gelegen, historisch waardevolle gebouwen een enorme opgave is. Tegelijkertijd komt de noodzaak van sloop maar moeilijk op de agenda. Daar zijn natuurlijk goede redenen voor. Het eigendomsrecht is sterk, waardoor overheden weinig mogelijkheden in handen hebben om sloop af te dwingen. Daarnaast zal een gesprek over herbestemming doorgaans beter voor de sfeer zijn dan een voorstel tot sloop. Misschien is er een onconventionele aanpak nodig om de acceptatie van sloop te vergroten. Een van de ideeën die in de Kunsthal werd geopperd was om er een TV-format van te maken: van De grote verbouwing naar De grote sloopshow.