20 oktober 2015

Yoga in de vinex

Startende bedrijfjes zitten vaak op onverwachte plekken, die oorspronkelijk nooit waren bedoeld om als bedrijfsruimte te dienen. Zoals op zolders, in garages en in andere extra ruimtes van woningen in vinexwijken. Dat is de conclusie uit een onderzoek van het Utrechtse stedebouwkundig bureau Nieuwe Gracht naar de opkomst van kleinschalige bedrijvigheid in stedelijke gebieden. Verrassend? Of toch ook logisch? De vinex is de thuishaven van de werkende middenklasse. Er is geld, er is kennis. Er zijn bewoners die, al dan niet gedwongen, hun vaste baan verlaten om als zelfstandige verder te gaan. Er zijn vrije uren, mede dankzij het anderhalfverdienersmodel waarin een partner full time werkt en de ander in deeltijd. Dat moet wel tot bedrijvigheid leiden, zeker in een tijdperk waarin je in een handomdraai een eigen webshop opzet.
Alleen jammer dat er aan de buitenkant nog zo weinig van te zien is. Het ontbreekt in vinexwijken aan wat in vrijwel elk ander soort woonomgeving heel normaal is. Geen zichtbare winkels of kantoren tussen de huizen, laat staan een groenteboer of bakker. Hoogstens een half verscholen bordje tussen de muurplanten waarop te zien is dat iemand een yoga- of adviespraktijk heeft. Het is een gevolg van de beslissing om alle bedrijvigheid in één winkelcentrum onder te brengen. Voor ontwikkelende partijen zijn de opbrengsten uit winkelvastgoed een vast onderdeel van het verdienmodel. Gemeenten zijn hierin meegegaan en hebben nauwkeurig vastgelegd dat er op andere plekken geen bedrijven bij mogen komen. Wonen en werken netjes van elkaar gescheiden; het doet denken aan de jaren vijftig.
Niet alle bewoners leggen zich daarbij neer. In Leidsche Rijn is een groep bewoners al enkele jaren bezig om een permanent marktplein te beginnen onder de naam Vinexmarkt. Het initiatief is ontstaan uit onvrede met het gebrek aan levendigheid en ontmoetingsplekken in de wijk. Een andere Leidsche-Rijnbewoonster beschrijft op haar blog hoe ze in haar wijk een rommelwinkeltje ontdekt waarin niets duurder is dan vijf euro. De verkoopster is er spontaan mee begonnen, zonder zich af te vragen of het mag. Het zet 'Vinexvrouwtje' aan tot de volgende overpeinzing:
‘In de Vinex is alles tot op de millimeter gepland. Elke struik, elke boom, krijgt eerst op papier een plekje voordat er echt iets in de grond wordt gestopt’ ...  ‘Niks onstaat zomaar. En als het wel zo is, is dat automatisch ‘tegen’ de regels, want het stond niet in het plan. Ik kan me er er nog steeds over verbazen dat je in een ‘vrij’ land zo weinig mag en dat iedereen zich daar ook zo gedwee bij neerlegt.’

Volgens mij bewijst het twee dingen. Ten eerste dat je geen verstokte vinexhater hoeft te zijn om kritiek te hebben op de manier waarop die wijken zijn gepland. Ten tweede dat nieuwe wijken altijd minder 'af' zijn dan we denken. Je kunt ze ook zien als een plattegrond waarop de stedelijkheid nog moet beginnen en waar de tijd nog overheen moet gaan. Het wordt steeds duidelijker dat bewoners zelf willen bepalen hoe de toekomst van hun woonomgeving er uitziet. Maar in wat voor soort wijk wil de burger wonen? Grofweg zijn er op dit moment twee geluiden te horen. Het ene is dat de populariteit van typisch stedelijke woonmilieus verder zal toenemen. Jongeren zullen steeds meer naar de stad trekken om er te studeren en te werken. Ze blijven er wonen, ook nadat ze een gezin hebben gesticht. Daar staan geluiden tegenover die waarschuwen dat de behoefte aan grootstedelijk wonen niet moet worden overdreven omdat een grote meerderheid een voorkeur blijft houden voor een meer ‘burgerlijke’ groenstedelijke omgeving. Zie bijvoorbeeld de reactie van Friso de Zeeuw en Rink Drost op het PBL-onderzoek De Stad: Magneet, Roltrap en Spons.
Altijd bruikbaar als er twee standpunten tegenover elkaar staan, dat brengt scherpte in het debat. Maar je krijgt zo wel de indruk dat er maar twee mensentypen bestaan. Aan de ene kant de grotestadsbewoner die van koffietent naar vintageshop hopt en het helemaal niet erg vindt om midden in de stad een gezin te stichten zolang er maar parkeerruimte is voor de bakfiets. En aan de andere zou er dan een groenstedelijk type bestaan - laten we zeggen de Homo vinex - dat woont in een wijk waar je overdag een kanon kunt afschieten en tevreden inkopen doet in een sfeerloos, halfleeg winkelcentrum dat in 1996 aan de tekentafel is bedacht.
Een kloof door de bevolking tussen typische grootstadbewoners en groenstadbewoners? Ik geloof er eigenlijk niets van. Ik denk dat ook ‘vinexmensen’, voor zover die al bestaan, houden van diversiteit. En dat zichtbaar ondernemerschap in wijken veel belangrijker is dan we tien of twintig jaar geleden konden vermoeden. Ook in groenstedelijke wijken. Dat daar nog maar veel guerrillawinkeltjes, pop-upmarkten en praktijken-aan-huis mogen bijkomen. En dat ze maar flink de ruimte mogen krijgen, of nemen.


Winkelcentrum en geluidswal The Wall in Leidsche Rijn, Utrecht


2 oktober 2015

Kaartlezen (10) – Doedelzaktraining op dinsdag

                                                                              Afbeelding: J. Maizlish Mole

Elk zichzelf respecterend dorp of stadje zou er een moeten hebben: een mooie kaart op een prominente plek. Liefst een die pas aangekomen bezoekers direct aanspoort om de omgeving te verkennen. Op vakantie in Schotland kwam ik deze tegen, op het dorpsplein van Portree op het eiland Skye. Op het eerste gezicht is het niet eens zo’n heel bijzondere kaart, met een rustig kaartbeeld en met de hand ingetekende bomen, straatnamen en locaties. Tot je eens goed bestudeert wat er allemaal in dat priegelige handschrift staat geschreven. Many rabbits here. Helluva place for oil tanks. Cliffs!

De kaart is gemaakt door de van oorsprong Amerikaanse kunstenaar en muzikant J. Maizlish Mole, in opdracht van het eilandbestuur. Verdeeld over drie maanden maakte hij wandelingen op Skye. Alles wat hij tegenkwam sloeg hij op in zijn geheugen of schetsboek. Letterlijk alles: elk wandelpad of schapenpaadje, elk veldje of gebouw staat op de kaart. Maar wel zoals de maker het waarneemt. Bij winkels staat er bijvoorbeeld niet bij hoe de winkel precies heet, maar wat je er kunt kopen. Het resultaat is, schrijft Maizlish Mole op zijn website, een min of meer accurate weergave van de werkelijkheid. Het belangrijkste doel is niet om het landschap in kaart te brengen, maar zijn eigen beleving.

Eigenlijk vind ik dat de kunstenaar zichzelf daarmee tekort doet. Want veel informatiever dan dit kan een kaart niet worden. Op de grote kaart ontdek je niet alleen waar in het dorp Shinty – de ruwe, Schotse versie van hockey - wordt gespeeld, maar ook dat de wedstrijden op zaterdagmiddag zijn. Ook goed om te weten: bagpipe practice is op dinsdagavond. Wandelaars zien niet alleen direct waar de mooiste routes liggen, ze krijgen ook een lesje cultuurhistorie mee en worden gewaarschuwd voor kliffen en steile paden. Zelf nam ik het wandelpad rond de Scorrybreac-heuvel aan de oostkant van het dorp en ik kan bevestigen dat het daar inderdaad wet & lumpy is. Zo subjectief is de kaart dus niet, al zullen de bewoners van dirty looks en de beheerder van de sorry old pool daar misschien anders over denken. En dan nog: is niet elke kaart subjectief, want altijd gebaseerd op een keuze van wat de maker wel of niet wil laten zien?

Deze kaart heeft van alles het beste. Hij is gedetailleerd en toch overzichtelijk, persoonlijk en toch accuraat, kunstzinnig en toch bruikbaar. Als je hem bekijkt, krijg je een totaalbeeld dat alleen tekst of alleen een ‘normale’ kaart nooit zouden kunnen geven. Goed om te weten dat in deze tijd van Google Maps de mooiste kaarten nog altijd door mensenhanden worden gemaakt. 





Verschenen in Geografie, uitgave van het KNAG, oktober 2015

23 september 2015

Wie redt de blunderende ontwerper?


Wonen aan een plein heeft zijn voordelen. Een ervan is dat je kunt vertellen dat je aan een plein woont. Bij het woord 'plein' denken mensen al gauw aan fonteinen, standbeelden, monumentale bomen en gietijzeren bankjes onder maanlicht. Maar niet elk plein is een Vrijthof of een Place des Vosges. Mijn eigen buurtplein bestaat uit een stenig voetbalveld, een stenige speeltuin en een kinderdagverblijf met een stenige peuterspeelplek. Er is ook wat groen: een bomenveldje, op steen. Tussen de huizen en het plein is nauwelijks beschutting, waardoor er een 'sporthal-effect' ontstaat waarin peutergegil of pubergeschreeuw met gemak tot in de huiskamer reikt. Nog maar acht jaar geleden kreeg het plein een uitgebreide vernieuwingsbeurt. Blijkbaar is die gedaan door ontwerpers die dol waren op steen, geen aandacht hadden voor zaken als akoestiek, hittevorming en wateropvang en waren vergeten dat het plein de voortuin is van ruim driehonderd omwonenden.

Zo'n twee jaar geleden zat er opeens een hoopvol bericht in de nieuwsbrief van het buurtteam. Er was weer een budget voor verbetering. Het signaal dat er iets niet helemaal deugde aan het plein - dat inmiddels door meerdere bewoners was afgegeven - was blijkbaar opgepikt. Het geld zou niet zomaar worden besteed, maar in samenspraak met de buurt. Nadere berichten zouden volgen. Met lange tussenpauzes druppelde het goede nieuws binnen. Het was een kwestie van geduld en wachten op de uitnodiging om met zijn allen te gaan brainstormen.

Vorige maand was het dan zo ver. Op een zonnige namiddag verzamelden bewoners en professionals zich midden op het plein met zelf meegebrachte drankjes en hapjes. De sfeer was gemoedelijk. In een informele setting kreeg groot en klein de kans om van zich te laten horen. Er was een flipover met kleurige stickers waarop alle ideeën werden verzameld: een fontein, een kinderboerderij, bloemperken die door de bewoners zelf konden worden onderhouden. Er liep een man rond - ik had hem nog nooit gezien - die beweerde dat hij uitgebreid onderzoek had gedaan naar de wensen van de buurtbewoners. Daar was uitgekomen, zei hij, dat ze mediterrane planten wilden, want die deden hen 'terugdenken aan thuis'. Een ontwerper van de gemeente hoorde iedereen geduldig aan. Alle suggesties waren welkom, maar hij moest ook vertellen dat er een beperkt budget was dat 'in principe' alleen voor vergroening was bedoeld.

We zeggen het allemaal en we lezen het overal: dit is het tijdperk van de mondige burger. Plannen maken doe je samen of je doet het niet. De almachtige ontwerper, architect of stedenbouwer is verleden tijd. Dat vind ik ook. Tegelijkertijd betrapte ik mezelf tijdens die plein-picknick op de gedachte: 'Begin nou maar gewoon, want straks zijn we weer twee jaar verder'.

Had een grotere rol voor de bewoners kunnen zorgen voor een beter ontwerp bij de eerdere vernieuwingsbeurt van het plein? Dat hangt er vanaf, want de ene vorm van participatie is de andere niet. Er zijn geslaagde voorbeelden van community planning waarbij bewoners vanaf het begin letterlijk aan de ontwerptafel zitten. Ze vragen om veel inzet van professionals en hebben de grootste kans van slagen in buurten met een sterke sociale cohesie. (In de laatste ROmagazine staat er een lezenswaardig artikel over). Aan de andere kant van het spectrum zijn er de lichtere vormen van participatie, zoals inspraak per ideeënbus, waarbij het risico bestaat dat alleen de wensen van een kleine minderheid worden gehoord. Of er nu sprake is van participatie-heavy of participatie-light, in beide gevallen kunnen bewoners nooit al het werk van professionals overnemen. Ontwerpen aan een leefbare omgeving blijft een vak. Dat merk je aan zo'n buurtplein en aan alle andere openbare ruimtes waarbij je denkt: 'op papier zag het er waarschijnlijk beter uit.'

Luchtbakken

2 september 2015

Kaartlezen (9) - Kussen uit Polen


Dat lijkt wel een Vinex-wijk, dacht ik vorig jaar tijdens een treinvakantie in Polen. Bij het uitrijden van Warschau zag ik in het akkerland een nieuwe suburb in aanbouw. Strak van opzet, met veel dezelfde woningen en een mix van laagbouw en appartementen. Het had zo Almere kunnen zijn.

Ik moest eraan terugdenken toen ik deze kaart van de bevolkingsgroei in Europa tegenkwam. Het is een kaart om van te smullen. Door de fijnmazige indeling in regio's is hij zo gedetailleerd dat landen goed met elkaar kunnen worden vergeleken. Maar ook de kleurkeuze is slim. De groei rond grote steden is zichtbaar als een rode ring. Sommige sterk suburbaniserende steden lijken zo op de afdruk van lippenstift op een ansichtkaart. Het patroon is te zien rond steden als Rome, Praag, Boedapest, Boekarest en Madrid. Maar nergens is het zo duidelijk als in Polen. De economische groei van het land slaat niet alleen neer in de moderne hoofdstad Warschau maar ook in en rond steden als Wroclaw, Olsztyn, Poznan, Torun en Gdansk. Het reflecteert de opkomst van een middenklasse die na de breuk met het communisme de flatwijk heeft verruild voor een ruimere woning in een voorstad.

De kaart werd dit jaar gepubliceerd door het BBSR in Bonn, het Duitse onderzoeksbureau voor de gebouwde omgeving. Hij toont de gemiddelde jaarlijkse bevolkingsontwikkeling in Europa tussen 2001 en 2011, het laatste jaar waarover uit alle landen betrouwbare gegevens beschikbaar zijn. Behalve de suburbanisatie laat de kaart ook zien waar de Europese krimpregio's liggen: Zuidoost-Europa, de Baltische staten, Oost-Duitsland, Noordwest-Spanje. Opvallend sterke groeiers zijn Ierland en Frankrijk. Spanje groeit hard aan de costa's en rond Madrid. De Madrileense uitstraling bestrijkt een enorm gebied, een proces dat rond Parijs al langer aan de gang is en daar péri-urbanisation wordt genoemd.

Opvallend is verder dat Duitsland achterblijft bij de meeste andere West-Europese landen. De status van economische motor van Europa vertaalde zich in de periode 2001-2011 niet in bevolkingsgroei. Een mogelijke verklaring is dat de Duitse economische groei voor een deel is gebaseerd op lage lonen, waardoor werkzoekende migranten liever andere landen opzochten. 

Een grote versie van de kaart is hier te vinden.
 Verschenen in Geografie, uitgave van het KNAG, september 2015
 www.geografie.nl